Vroeger was voetbal leuk

Tomas Ross: Babyface, King en de moordtransfer. Uitg. Fontein, 214 blz. ƒ 24,90.

Met zijn twee laatste thrillers pretendeerde de Nederlandse auteur Tomas Ross nog het voorbeeld te volgen van internationale collega's als Frederick Forsyth. In zwierige, ambitieuze plots werd (in De Broederschap) de dood van generaal Spoor opnieuw verklaard of probeerde 's werelds meest gezochte spion, De Jakhals, de macht te grijpen op de Nederlandse Antillen (De man van Sint Maarten).

In Babyface heeft Ross zijn BVD-speurders vervangen door een nieuwe held, een oud-politieman in dienst van een verzekeraar. Als Babyface een snel tussendoortje zou zijn - nauwelijks meer dan tweehonderd bladzijden - was de schade nog te overzien. Maar Ross kondigt op de achterflap aan dat Engelbertus Julius Leopold Durk King, kortweg King, de hoofdpersoon is van een serie.

Het probleem zit hem niet in de intrige. Een Afrikaanse voetballer, persoonlijk ontdekt door de textielmagnaat die de spelers als privébezit beschouwt, heeft een club uit Limburg naar de top van de eerste divisie gebracht. Maar de sterspeler wordt uitgeschakeld. Bij een overval in zijn appartement steken twee mannen een mes in zijn nier. Ze draaien het mes stevig rond.

Het probleem van Babyface is de nieuwe held. King is een sukkel van de klagerige soort. Een voormalig IRT-rechercheur die ontslag moest nemen toen er voor een paar miljoen gulden aan heroïne was verdwenen bij een zaakje waar hij aan werkte. Om de huur van zijn etagewoning en de alimentatie voor zijn tienerdochter te kunnen betalen, verhuurt King zich als claim-investigator aan de verzekeringsagenten Sonnenschein en Porcelein. Maar de tegenzin waarmee King naar Limburg afreist, om het uitbetalen van de verzekeringspremie voor de nier-transplantatie te voorkomen, werkt aanstekelijk op de lezer.

King klaagt over zijn buikje, over alles wat hem voor de voeten komt. Voetbal was leuk geweest, moppert King in het boek, tot het gajes omhoog was komen drijven. Tot bestuurders, makelaars en bobo's de skyboxen waren gaan bevolken en tot de cabaratiers en tv-presentatoren, de hele en halve intellectuelen, de filmers en de andere kunstenmakers zich over het voetbal hadden ontfermd zoals ze in de jaren zestig arbeiders hadden uitgenodigd om hun feestjes klassebewust op te luisteren. Voetbal is 'camp' geworden en King houdt niet van 'camp'.

Tegenover dit soort vermoeiende klaagzangen staan bijzonder weinig vrolijker passages. Het is te hopen dat King in een volgende aflevering beter gehumeurd zal zijn.

    • Remmelt Otten