Vrije opera

De Italiaanse Opera is dood, leve de Italiaanse Opera! Carl Denker kondigde vorige week aan het onafwendbare failliet van zijn onderneming alsnog te willen omzetten in een winstgevende wedergeboorte. Alleen zo is hij in staat tot het wegwerken van de schuld van zeker zes ton, die de Italiaanse Opera in november opbouwde. De kosten om de Gashouder van de voormalige Amsterdamse Westergasfabriek te verwarmen en geschikt te maken voor opera waren erg hoog. En het grote publiek, waarvoor de 'spectaculaire' voorstelling van Cavalleria rusticana/I pagliacci was bedoeld, kwam ook na welwillende recensies, niet massaal naar “het grootste theater van het land.”

De prijzen varieerden van 50 tot 90 gulden - zeer redelijke bedragen voor ongesubsidieerde opera. Van de 24.000 stoelen tijdens tien voorstellingen bleven er bijna 13.000 leeg. Een aantal werd nog wel bezet met niet-betalende toeschouwers, waaronder bijna het gehele Amsterdamse college van B&W, veel gemeenteraadsleden en vertegenwoordigers van de deelraad Westerpark. Eén keer zaten er niet meer dan 500 operaliefhebbers in de zaal. Pas nadat hoofdrolzanger Marco Bakker, veel later dan was afgesproken, over de Italiaanse Opera was geïnterviewd in de Vijf Uur Show van RTL4 zat de Gashouder vol. Maar dat was alleen de laatste twee avonden.

Er is dus in ons land best publiek te vinden voor grootschalige commercieel gebrachte opera. Dat bewijst sinds 1993 al de Rotterdamse 'Opera Ahoy', die vanaf 24 januari voorstellingen geeft Puccini's Turandot. Het aantal voorstellingen in de Ahoy', die een capaciteit heeft van 6000 toeschouwers, is wegens de grote belangstelling al uitgebreid van vier naar zes. Ook de generale repetitie trekt een betalend publiek. Van de 42.000 beschikbare plaatsen zijn er nu al 27.000 verkocht en juist de duurdere plaatsen (55 tot 155 gulden) lopen het best.

In de Rotterdamse Ahoy' gaat slechts één produktie per jaar, maar de Italiaanse Opera wilde de Amsterdamse Gashouder ombouwen tot een permanent theater voor opera, musicals en concerten van allerlei soort. Zeker de operavoorstellingen zouden naar hun aard ('mooie muziek voor een groot publiek, maar niet oubollig') en vanwege de toeschouwerscapaciteit een aanvulling betekenen op het Nederlandse gesubsidieerde opera-aanbod.

Voor een interessante ontwikkeling van het volgens velen hier zo bloeiende verschijnsel opera is immers een breed gevarieerd soort voorstellingen nodig. Onder de op internationaal niveau artistiek ambitieuze Nederlandse Opera in het Amsterdamse Muziektheater, de reizende voorstellingen van de Nationale Reisopera en Opera Zuid is zeker behoefte aan een sterke populaire en commerciële basis. Op deze schaal moet dat toch mogelijk zijn.

Maar Denker kondigde aan naast sponsors óók nog subsidie te willen. En na het failliet van de Italiaanse Opera I zal het voor de Italiaanse Opera II moeilijk zijn om in december dit jaar een nieuw begin te maken met Die Fledermaus. Er moeten dan wel heel veel mensen komen kijken hoe musici, zangers en koorleden zelf hun eigen achterstallige honorarium verdienen.

    • Kasper Jansen