Van de jongen de heerlijke honger

Ik ben een slechte eter. Een onnozeler bekentenis is nog nooit in het oor van de drukpers gefluisterd. Ik ben een slechte eter geworden. Nog steeds onnozel. Maar er is tenminste verleden. Na een zondagse fietstocht van de jongen de heerlijke honger: biefstuk, gebakken aardappelen, sla, en als de gebakken aardappelen op waren boterhammen met biefstukjus, en als de jus op was boterhammen met boter. Tien jaar later, in een Duits werkkamp, echte honger, met fantasieën over biefstuk, gebakken aardappelen, sla. Nog veel later, op een Grieks eiland in de winter, bij een bord koude macaroni, fantasieën over biefstuk, gebakken aardappelen, sla, komische honger.

En intussen de delicatessen en specialiteiten van thuis, Italië, Frankrijk, België, Spanje, Marokko, Turkije. Het is voorbij, de heerlijke honger, de echte honger, de komische honger. Het lichaam heeft geen geheugen. Ik heb dat vroeger gezegd en ik blijf erbij, al zegt Joseph Brodsky het tegenovergestelde. Mijn denken herinnert zich dat ik spekpannekoek, kreeft, slak, vissoep, mosselen, spaghetti, peperbiefstuk graag heb gegeten, in Noord-Holland, Marseille, Venetië, thuis. Mijn gehoorzame mond is na veel intellectuele aandrang bereid iets van die smaken op te roepen. Hij zou zelf niet op de gedachte zijn gekomen. Het lichaam herinnert zich niet eens dat het heeft gewandeld, liefgehad, pijn geleden, het bestaat alleen in het nu.

Een slechte eter dus. Mij kan het niet schelen, het is een sociaal probleem. Wanneer je de benen onder andermans tafel hebt gestoken, praat, wijn drinkt, volstaat met een schijfje van de kalkoen kwets je de gastvrouw. In een restaurant kwets je de ober en de kok. In je eigen huis kwets je de vrouw die voor je zorgt. Je leutert zowat: dat de gerechten heerlijk zijn, dat je helaas een slechte eter bent geworden, en je bederft het gesprek dat bij de lichte geluiden van bestek en glas, de zware van slurpen en smakken nu juist muziek kan worden. Er wordt boos en zorgelijk naar je gekeken als naar een bleek orkestlid dat zijn instrument onder de lessenaar heeft gelegd.

Ik peinsde hierover met Kerstmis, terwijl een maal van hazerug, aardappelpuree, witlof, peer met vossebessen werd bereid. Ik las een passend salontafelboek: Bei Thomas Mann zu Tisch. Tafelfreuden im Lübecker Buddenbrookhaus. Geschreven door Sybil Gräfin Schönfeldt. Uitgegeven door Arche Verlag, Zürich-Hamburg. Het was mij cadeau gedaan door een vriend die mij kende als bewonderaar van Thomas Mann en als slechte eter.

Buddenbrooks, de dikke roman over de ondergang van een familie, is bijna een eeuw oud en nog goed bij zinnen. Thomas Mann voltooide het boek toen hij 23 was, ongeloofwaardig, en je leest het allang niet meer als produkt van melancholie en decadentie. Het is amusant, vol spits getypeerde personages. Die hadden hun modellen in de werkelijkheid. Toen het verscheen was Lübeck verontwaardigd. Al die keurige koopmansfamilies, dacht men, werden door een kwajongen belachelijk gemaakt. Thomas Mann verdedigde zich. Buddenbrooks was geen sleutelroman, de personages hadden zich ver van de modellen verwijderd. Hij had vanzelfsprekend gelijk.

De gravin Schönfeldt bekommert zich daar niet om. Zij laat roekeloos modellen en personages samenvallen, neemt portretten op van mensen die bestaan hebben, noemt hun namen en schrijft erbij: “In de roman die en die.” Dat mag niet van de literatuurwetenschap, en ze gaat te ver. Hanno Buddenbrook = Thomas Mann. Hanno is enig kind en sterft piepjong aan de tyfus. Thomas Mann had een oudere broer en twee jongere zusjes en werd tachtig.

Zij is specialiste in het culinaire. In Lübeck werd veel en zwaar gegeten; prachtige kleurenfoto's van schotels, uitvoerige recepten vervulden mij met heimwee naar de vorige eeuw en naar mijn hongerige jaren. Terwijl er voor mij gewerkt werd aan sneetjes hazerug las ik wat de Buddenbrooks op kerstavond aten. In de 'landschapskamer' - na 'Stille nacht' en cadeautjes - ter verfrissing wijngelei en Engelse plumcake. Dan naar de eetkamer. Er kwam: karpers, in gesmolten boter en oude Rijnwijn, kalkoen, gevuld met een moes van kastanjes, appels en rozijnen, gebakken aardappelen, twee soorten groenten en twee soorten compote, melkbroodjes, met maanzaad bestrooid, en daarbij oude rode wijn, baisers, rood, wit en bruin, de bruine met chocoladeijs gevuld, daarbij wafels en Griekse wijn en tenslotte boter en kaas.

Thomas Mann hield van eten. Hij beschreef vele maaltijden in Buddenbrooks en Der Zauberberg en een copieus middagmaal bij Goethe thuis in Lotte in Weimar. Hij heeft het vaak over eten in zijn dagboeken. In zijn laatste jaren treurde hij over het verlies van zijn eetlust. Hij had weer jong willen zijn, zuchtte hij, om appetijt te hebben. Bij diners nam hij alleen de soep en de toespijs tot zich. Ik voelde me bij het lezen eindelijk zijn gelijke. En toch ook niet. Bij huiselijke maaltijden vergenoegde hij zich, klagend, met oesters, kaviaar, ganzelever.

    • Alfred Kossmann