Tien flessen

Het was Kerstmis en het rook naar gas in mijn appartement. Niet alleen in mijn appartement, het hele gebouw rook naar gas. Maar ik had een afspraak in een hotelbar en ik dacht, als ik terugkom zal het wel over zijn. Misschien zijn ze ergens met een vreemd spul aan het verven.

Ik kwam om half drie in de ochtend thuis. Ik had vier flessen champagne gedronken. Of vijf. Het kunnen er ook zeven zijn geweest. Ik weet het niet meer. Ik was de tel kwijtgeraakt. Ik weet alleen nog wel dat ik geprobeerd had allerlei dames in de bar ook op champagne te trakteren en dat ik daar soms in was geslaagd.

Voor de deur stonden twee meisjes. “Woon je hier?”, vroegen ze. Ik knikte.

“Wij ook,” zei de ene. “Ga niet naar binnen. Het is onveilig. Het stinkt naar gas en de muren in ons appartement zijn gloeiend heet. We hebben de brandweer al gebeld.”

“En niemand is thuis,” zei de ander.

“Misschien heeft iemand zelfmoord gepleegd. Dat schijnt met Kerstmis wel vaker voor te komen,” zei ik.

De brandweer had het erg druk die nacht. We hebben drie kwartier op ze moeten wachten. Maar toen kwamen ze ook met vier wagens.

Twintig brandweermannen gingen het gebouw binnen en vijf minuten later stonden ze alle twintig weer buiten.

“We hebben de hoofdkraan uitgedraaid,” zei een brandweerman met een snor. “Ga maar lekker slapen, maar zet wel even de ramen open.”

Ik dacht, de ramen zet ik morgen wel open. Ik was zo moe. Een half uur of een uur later werd ik wakker door de bel. Iemand stond als een gek aan de deur te bellen.

Ik liep naar de intercom. “Dit is de brandweer,” hoorde ik, “er is brand. Kom zo snel mogelijk naar beneden.”

“Luister”, zei ik, “de brandweer is hier net geweest. Als u me wilt beroven moet u een beter verhaal verzinnen.”

Toen draaide ik me om en ik zag dat voor mijn raam een brandweerman op een ladder stond. Hij scheen met een zaklantaarn naar binnen. Uit zijn gebaren begreep ik dat hij me naar beneden zou tillen als ik nu niet vrijwillig mijn appartement zou verlaten. Niet dat ik hoogtevrees heb, maar ik voelde er niets voor in de armen van zo'n brandweerman te hangen. Daarom rende ik de trap af.

Ik weet dat de meeste mensen er nog wel aan denken in zo'n geval iets dierbaars mee te nemen. Geld, de foto van een geliefde, het manuscript van je nieuwe boek. Ik had teveel champagne gedronken om me om dat soort dingen druk te maken. Het enige wat ik mee naar buiten nam was een sjaal. Op die sjaal en mijn onderbroek na was ik naakt. Het vroor die nacht vijf graden.

In films staan er altijd aardige brandweermannen met dekens klaar. In werkelijkheid hebben ze het veel te druk met de brand.

Ik zei tegen een brandweerman: “Misschien heeft u wat om aan te trekken.”

“De brand is zo geblust”, zei hij.

“Dat begrijp ik, maar ik ben zo dood.”

Een vrouw uit het gebouw naast het mijne had haar raam geopend en gooide een paar tennissokken naar buiten.

“Dank u”, riep ik, “u krijgt ze gewassen terug. Maar kunt u misschien nu ook een trui naar beneden gooien, want alleen met sokken red ik het niet.”

Met dit paar sokken was een eind aan haar vrijgevigheid gekomen, want toen ze hoorde dat ik om een trui begon te vragen deed ze het raam met een klap dicht.

Ik liep naar de portier.

“Luister”, zei ik, “ik woon in dat gebouw. Het staat in brand zoals u ziet. Kan ik even binnen komen om warm te worden?”

Hij keek naar mijn sokken, naar mijn onderbroek en toen naar mijn sjaal.

“Je bent zo dronken als een beest”, siste hij, “donder op.”

“Dat is een ongelukkige samenloop van omstandigheden”, zei ik.

“Mijn naaktheid heeft niets met mijn dronkenschap te maken, maar alles met die brand. Gelooft u me. Ik drink wel vaker, maar ik kleed me nooit uit. En dat ik zo raar praat komt omdat mijn mond aan het bevriezen is.”

Op dat moment kwam een man met een videocamera uit het gebouw. Hij begon de brand te filmen. Niet alleen de brand, ook mij.

“Sorry dat ik u stoor”, zei ik. Maar hij hield niet op met filmen. “Kan ik wat kleren van u krijgen? Ik geef ze gewassen terug en als u toch nog vies van mij bent krijgt u er geld voor.”

De man met de videocamera zei niets. Waarschijnlijk verstond hij geen Engels.

Ik liep naar Park Avenue. Misschien dat politie mij zou oppakken wegens openbare dronkenschap.

Ik keek naar de wolkenloze hemel. Normaal kan een wolkenloze hemel mij geen zak schelen, maar nu zei ik, “luister God. Ik begrijp het. U houdt niet van joden die Kerstmis vieren. Maar alles wat ik nu van U vraag is een broek en een trui.”

Nog altijd had de politie mij niet opgepakt.

“Luister God”, zei ik, “heeft mijn moeder de kampen overleefd, zodat haar zoon in New York aan een longontsteking bezwijkt? Als dat de bedoeling is zeg het dan. Dan trek ik mijn sokken en mijn sjaal uit, maar laat me niet langer in onzekerheid.”

Ik zag hoe mensen uit hun huizen naar mij keken hoe ik op Park Avenue tegen God stond te praten.

“Ben ik de enige jood die kerstmis viert? Zijn het de hoeren? Bent U dat nog altijd niet vergeten? Goed, misschien heb ik vandaag tien flessen champagne gedronken. Had ik dat geld aan het JNF moeten geven?”

Toen stak ik mijn beide vuisten in de lucht, zoals ik dat Arafat op televisie had zien doen en ik zei: “Maar ik zweer het U. Als ik hier levend uitkom drink ik elke dag een fles champagne.”

    • Arnon Grunberg