Standbeeld Ashe leidt tot gekrakeel

WASHINGTON, 5 JAN. Een standbeeld voor de zwarte Amerikaanse tenniskampioen Arthur Ashe in zijn geboorteplaats Richmond (in Virginia) had een symbool van raciale verzoening moeten worden. Het beeld van Ashe, die in februari 1993 op 49-jarige leeftijd overleed, zou komen te staan aan de fameuze Monument Avenue, in het hart van de stad. Maar over die locatie, waar ook de grote standbeelden staan van de militaire helden van de Confederacy, de afscheidingsbeweging uit de Amerikaanse burgeroorlog die zich verzette tegen afschaffing van de slavernij, bestaat na meer dan een jaar van geruzie nog altijd geen overeenstemming. Begin deze week heeft ook de weduwe van Ashe zich gemengd in de kwestie.

Ashe was niet alleen een sportheld (de eerste en enige zwarte Amerikaan die Wimbledon en de US Open won), maar ook een activist tegen racisme en een pleitbezorger van goede voorlichting over AIDS, de ziekte waaraan hij overleed. Hij schreef een driedelige geschiedenis van zwarte sportlieden, getiteld A Hard Road to Glory, en een autobiogafie Days of Grace.

Al tijdens zijn leven was er sprake van het beeld, en Ashe heeft persoonlijk ingestemd met de pose waarin beeldhouwer Paul DiPasquale hem heeft afgebeeld. In een tennistrui en met tennisschoenen waarvan de veters los zijn, staat hij met in de rechterhand twee boeken en in de linker een tennisracket.

Richmond was tijdens de Burgeroorlog (1861-1865) de hoofdstad van de Confederacy. Nog ten tijde van de jeugd van Ashe gold er een strenge segregatie, die het hem bijvoorbeeld onmogelijk maakte bij de beste tennisclubs te spelen, omdat die uitsluitend voor blanken toegankelijk waren. Ashe verliet de stad, waar hij zich nooit op zijn gemak had gevoeld, toen hij achttien was. Pas kort voor zijn dood verzoende hij zich met Richmond.

Toen het plan voor het standbeeld in december 1994 werd geopperd brak er al snel groot gekrakeel uit. Een conservatieve groep die opkomt voor het culturele erfgoed van de Confederacy vond het ongepast Ashe naast helden als Robert E. Lee te zetten, al zou de tennisser met 24 voet (7,32 meter), aanzienlijk kleiner worden dan de generaal (61 voet, of 18,6 meter). Anderen vonden het beeld te modern of te informeel, en om die reden een schande voor de nagedachtenis van de oorlogshelden.

Ook zwarte groepen maakten bezwaar tegen de locatie. Als het aan Lee en de andere in brons vereeuwigde generaals had gelegen, zou niemand ooit van Arthur Ashe gehoord hebben, betoogden zij. De zwarte krant Richmond Free-Press schreef: “Monument Avenue is een huldiging van het slechtste in onze geschiedenis: verraders die vochten tegen de menselijke vrijheid”. Een zwarte buurt van Richmond zou een passender plaats zijn, of een tennispark.

Maar eind deze zomer hakte de gemeenteraad de knoop door en koos, na een hoorzitting van zeven uur die op tv werd uitgezonden en een emotioneel pleidooi van Ashes broer, voor Monument Avenue. Een groepje tegenstanders demonstreerde nog met vlaggen van de Confederacy toen de grond dit najaar bouwrijp werd gemaakt, maar alles leek er toch op te wijzen dat dit jaar dan eindelijk de onthulling zou plaatsvinden.

Maar maandag verscheen een artikel van Ashes weduwe, de fotografe Jeanne Moutoussamy-Ashe, in de krant Richmond Times-Dispatch. Ze schrijft dat “een standbeeld van Arthur Ashe aan Monument Avenue meer eer bewijst aan de stad Richmond, Virginia, dan aan haar man, zijn nagedachtenis en zijn levenswerk”. Wat haar betreft zou het beter zijn het beeld te plaatsen voor een Hall of Fame voor zwarte sportlieden, een instelling waar haar man herhaaldelijk voor gepleit heeft.

De broer houdt vast aan zijn oorspronkelijke plan. De 20ste-eeuwse aanhangers van de Confederacy tonen zich echter ingenomen met het stuk van de weduwe, en ruiken alsnog de overwinning. En de zwarte burgemeester van Richmond heeft verklaard dat de zaak nu opnieuw bekeken moet worden.

    • Juurd Eijsvoogel