Nieuw sectorplan opent perspectief varkenshouders

UTRECHT, 5 JAN. Met tractoren stoomden ze op naar het ministerie van landbouw in Den Haag, ze ondermijnden openlijk de mestboekhouding van de overheid en ze blokkeerden het verkeer op de snelwegen. Maar nu zeggen de varkenshouders een doorbraak te zien in het gisteren gepresenteerde rapport 'Dubbelslag in de varkenshouderij, opties voor een sectorontwikkeling met milieuwinst'.

Voorzitter J.D.M. Martens van de vakgroep varkenshouderij van de federatie van land- en tuinbouworganisaties, LTO Nederland, gaat in zijn enthousiasme nog verder. Volgens hem is het mogelijk de milieudoelstellingen van het kabinet te overtreffen.

Tien jaar overheidsbeleid in fasen om een eind te maken aan het mest- en ammoniakprobleem resulteerde afgelopen zomer in de moeizame bevalling van de Integrale notitie mest- en ammoniakbeleid van de ministers Van Aartsen (landbouw, natuurbeheer en visserij) en De Boer (VROM). In de notitie, die inmiddels is aanvaard door de Tweede Kamer, zetten de bewindslieden de lijnen uit die de komende vijftien jaar moeten leiden tot een vermindering van het uitrijden van mest op het land en een vermindering van de produktie van mest door dieren. Voor akkerbouwbedrijven en veehouders met grasland heet dat een 'strengere gebruiksnorm' voor de intensieve bedrijven zonder land wordt gesproken van 'verliesnormen voor fosfaat en stikstof' (ammoniak). Op een enkel punt komen de bewindslieden de boer tegemoet. Er komt een stimulerings- en herstructureringsfonds waarmee een sector in de grondverf kan worden gezet die voldoet aan toekomstige milieu-eisen en bovendien gezond genoeg is om de concurrentie met het buitenland aan te gaan.

Op verzoek van LTO Nederland hebben Praktijkonderzoek Varkenshouderij, ook bekend als het proefstation, en het Centrum voor Landbouw en Milieu studie gedaan naar de optimale inzet van de 475 miljoen gulden waarmee een deel van die herstructurering wordt betaald. Daarbij gaat het steeds om meervoudige doelen, waarbij de milieubelasting vermindert, de inkomens en de concurrentiekracht van de sector verbeteren, de 'wijkers' op sociaal veranderde wijze hun bedrijf beëindigen en de instemming hebben van zowel andere agrarische sectoren als de milieubeweging.

De studie heeft geresulteerd in vier opties. In de eerste plaats de mogelijkheid tot het stellen van harde normen voor fosfaatuitscheiding. Daarbij zou het herstructureringsgeld moeten worden ingezet voor technologie om de fosfaatuitscheiding per dier te verminderen. In de praktijk zou zo'n norm er op neerkomen dat een op de twee varkenshouders maatregelen moet nemen. Daarbij kan ook worden gedacht aan een alternatief, waarbij de milieuvriendelijke boer een beloning krijgt.

Een tweede optie is die van het opkopen door de overheid van zogeheten produktierechten. Die rechten omvatten de maximaal toegestande hoeveelheid mest die een bedrijf mag produceren. Voor de overheid is dat een duidelijke en goed uitvoerbare optie, waarbij de fosfaatproduktie - zij het in beperkte mate - daalt. Probleem is alleen dat bedrijven die - milieu-verantwoord - willen groeien moeilijk aan produktierechten kunnen komen, omdat de overheid zich op de markt begeeft. Omdat die bedrijven dan worden gedwongen klein te blijven, verliezen ze concurrentiekracht.

Zowel blijvers als wijkers kunnen iets opschieten met de derde optie, die van de bedrijfsontwikkeling. Daarbij kan de handel in mestproduktierechten op drie manieren worden gesubsidieerd uit het herstructureringspotje. In de eerste plaats met rentesubsidies en solvabiliteitsversterking. De overheid kan bij de verstrekking daarvan eisen stellen ten aanzien van mestafzet, ammoniak en dierenwelzijn. Dat vereist een ontwikkelingsplan voor het bedrijf, dat bijvoorbeeld voorziet in de bouw van een 'Groen Label Stal', die meer kost dan de bouw van een traditionele stal, maar wel faciliteiten biedt voor een betere beheersing van mest en ammoniakuitstoot.

Een andere mogelijkheid is een verplaatsingspremie, die wordt gegeven als een bedrijf vertrekt en de oude locatie saneert. Concentratiegebieden zouden daardoor kunnen worden ontlast en er zou ruimte ontstaan voor natuur. Het nieuwe bedrijf zou een 'gesloten' bedrijf kunnen zijn, waar fok en afmesting op één locatie zijn verenigd, zodat de milieutechnische voorzieningen op zo'n bedrijf veel efficiënter kunnen zijn. Een uittreedpremie is een derde mogelijkheid. De hoogte van de premie voor de stoppende varkenshouder wordt dan bepaald door de vraag wat het milieu ermee opschiet. Los daarvan heeft hij de mogelijkheid om zijn mestproduktierechten aan de hoogste bieder te verkopen. In deze gevallen kan bovendien een schuldsaneringsregeling worden ingevoerd, in samenwerking met betrokken banken.

De vierde optie die de opstellers van het rapport voor ogen hebben is een combinatie van 'opkopen' en 'bedrijfsontwikkeling'. Die optie heeft twee belangrijke nadelen. Het aantal varkenshouderijen neemt fors af, maar daarmee ook de werkgelegenheid. Bovendien worden varkenshouders die al eerder hun verantwoordelijkheid namen bestraft, want ze vissen nu achter het net. Ze krijgen geen premies voor modernisering en evenmin uitzicht op de koop van mestproduktierechten waarmee ze hun bedrijf zouden kunnen uitbreiden.

Duidelijk is dat de varkenshouders die zijn verenigd in LTO Nederland vooral muziek zien in de 'bedrijfsontwikkeling'. Voorzitter J.D.M. Martens van de vakgroep varkenshouderij meent dat het rapport dan ook niet zozeer een dubbelslag, maar een vierslag is. Het voorziet in een verbetering van het milieu, de diergezondheid, de bedrijfsstructuur en de portemonnee van de boer. “De varkenshouder wordt gedwongen goed en efficiënt te produceren, dat is een prima perspectief”, aldus Martens.

    • Bram Pols