Niet weten en niet denken; De verjaardag van de nachtvlinder

Op een avond vloog de nachtvlinder door het bos. Raar, dacht hij, maar er is vast niemand die weet dat ik jarig ben.

Het was een warme avond en hoog boven het bos hing de maan. In de verte riep de uil iets en de rivier stroomde langzaam en glinsterend langs de rand van het bos.

Ik zal het toch eens aan iemand vragen, dacht de nachtvlinder.

Hij kwam de krekel tegen.

'Krekel', zei hij, 'weet jij dat ik jarig ben?'

De krekel stond stil, dacht even na en zei toen:

'Nee, dat weet ik niet.' Hij liep weer verder.

Zie je wel, dacht de nachtvlinder.

Hij vroeg het ook aan de neushoorn.

'Nee', zei de neushoorn. 'Dat spijt me zeer, maar dat weet ik niet.'

De nachtvlinder knikte tegen zichzelf. Maar als ze het niet weten, dacht hij, zouden ze het dan misschien wel dènken?

Hij vroeg het aan de tor, die in gedachten verzonken juist uit de rozestruik te voorschijn kroop.

De tor keek op. Er stonden dikke rimpels op zijn voorhoofd.

'Nee', zei hij. 'Het is heel vreemd misschien, maar dát denk ik nu toevallig net niet.'

Toen wist de nachtvlinder het zeker. Niemand denkt dat ik jarig ben. Niemand denkt het en niemand weet het.

Hij vouwde zijn vleugels op en ging tussen twee bladeren van de eik zitten.

Behalve ik, dacht hij toen. Ik denk het en ik weet het, dat ik jarig ben.

Hij deed zijn ogen dicht en dacht heel diep na over zijn verjaardag. In zijn gedachten werd er een groot vuurwerk boven het bos afgestoken. De dieren vroegen: 'Voor wie is dat?' En sommigen zeiden: 'Ik denk dat het voor de nachtvlinder is' en anderen riepen: 'Dat weten wij zeker! Voor de nachtvlinder!'

Uit de lucht vielen dikke honingkorrels neer, precies in elke open mond. In de gedachten van de nachtvlinder kneep iedereen zijn ogen dicht en smulde.

Toen sliep hij in. Het was al bijna ochtend. Dunne nevels zweefden door het bos, wikkelden zich om de struiken heen en maakten zich weer los en zweefden verder. De horizon werd langzaam rood.

    • Toon Tellegen