Kauwen voor de camera; Je eigen leven op de televisie

La Bamba, vanaf 7 januari in Villa Achterwerk. Nederland 3, 10.10u.

De dag na kerst is Annekin 14 geworden. De VPRO-televisie kwam al om tien uur 's ochtends om haar te filmen aan het ontbijt. Dat viel niet mee: eten met een camera pal op je neus. O jee, dacht ze bij iedere hap: hoe zit ik nu te kauwen?

Binnenkort is Annekin het beroemdste meisje van Heerenveen. Vanaf zondagmorgen is ze zeven weken lang te zien in Villa Achterwerk. In La Bamba, Een jaar uit het leven van 3 meisjes van (bijna) 14 jaar maken we kennis met Annekin en twee leeftijdgenootjes, Debbie uit Den Haag en Verena uit Breda. We volgen ze thuis en op school. In de eerste aflevering beginnen de ouders van Debbie een bloemenwinkel, Verena viert carnaval en Annekin doet auditie voor schooltoneel. Zo zijn alle gewone en belangrijke gebeurtenissen uit hun brugklasjaar de afgelopen maanden door de VPRO vastgelegd.

Annekin, Debbie en Verena kenden elkaar niet toen ze voor de serie werden uitgekozen, maar nu wel. De VPRO liet ze een paar keer naar een studio in Zeist komen waar ze elkaar konden ontmoeten. In de eerste uitzending eten ze ijs aan een ronde keukentafel. Ze hebben het over hun ouders, vriendjes en de ideale jongen (donker haar, blauwe ogen, “hij moet niet stoer doen”). Annekin is het meest aan het woord. Ze is dan nog dertien en heeft een lange blonde vlecht.

Nu, een jaar later, is ze veranderd: ouder en haar haar hangt los. Annekin: “Die vlecht vind ik kinderachtig. Ik was er 's ochtends wel een kwartier mee bezig, nu ben ik zo klaar. Het is gek om jezelf terug te zien op televisie. Toen ik me vorig jaar opgaf dacht ik niet dat ik het zou worden. Er waren meer meisjes in de klas die zich hadden opgegeven. Mijn ouders vonden het niet erg dat ik werd gekozen, maar mijn broers deden soms een beetje lullig. Op een gegeven moment moesten ze van de regisseuse iets tegen mij zeggen. Ze waren toen net bezig met niets doen. Ze gaven me iets en zeiden op een heel overdreven manier alsjebliééft.

“Toen we met de opnamen begonnen hebben we afgesproken dat ik de VPRO zou bellen als er iets bijzonders ging gebeuren, zoals de auditie op school. Zij keken dan of ze dat wilden filmen. Soms wilde ik dat ze niet kwamen. Ik had een vriend en die is niet gefilmd. Dat heeft toch geen zin. Verkering gaat bij mij altijd na een paar weken over. Alleen de vriend van Verena is gefilmd, maar nu is het uit. Het lijkt me niks om 'm dan op tv te zien.

“Ik vond de tafelgesprekken met die andere twee wel leuk. Ze zijn heel anders dan ik, ze kleden zich ook anders, maar daarom hebben ze ons juist uitgekozen. Ik denk dat we blijven schrijven. Na zo'n jaar weet je alles van elkaar, dan kun je het niet zomaar afkappen.

“Er moeten nu nog drie opnamen gemaakt worden, dan is het afgelopen. In het begin was ik zenuwachtig, dan wist ik niet wat ik moest zeggen. Maar je raakt eraan gewend. Je leert bijvoorbeeld dat je niet om moet kijken naar de camera. Het kan me nu niet meer schelen als er een filmploeg om me heen staat. Ik doe alle dingen die ik normaal ook doe. Als je iets verkeerd zegt hoef je niet bang te zijn dat het meteen wordt uitgezonden, ze gebruiken toch maar twee minuten van zo'n opname.

“Door die film deden mensen heel aardig tegen me, merkte ik. Toen ze een schoolreisje filmden en ik met een groepje stond te praten, waren er opeens twee meisjes die ik helemaal niet kende. Ze kwamen erbij staan en gingen meepraten. Vond ik niet erg, hoor, het viel me alleen op.

“Ik ben het afgelopen jaar op school vaak aangesproken en dan dacht ik: hè, ken ik jou? Nou weet de hele school toch al wie ik ben omdat ik er zo raar uitzie. Ik had een keer allemaal vlechtjes en ik heb ook weleens mijn haar paars geverfd. Ik had het eerst bijna groen geverfd, maar het meisje in de winkel zei dat paars mooier zou staan omdat ik blauwe ogen heb. Ik vind het leuk om anders te zijn. Mensen zijn zo gewoon. Ze zullen mij misschien wel raar vinden als ze de film zien. Ik hoop dat mijn vrienden het leuk vinden en anders is het pech. Ik ben wel gewend aan commentaar.”

    • Noor Hellmann