Juist 'gewone' wapens zijn nu de dodelijkste bedreiging

De Franse kernproeven op Mururoa hebben in veel landen geleid tot nieuwe protesten tegen het 'atoomwapen'. Paradoxaal, meent C. Homan, want juist met conventionele wapens worden elk jaar tienduizenden mensen gedood.

Naar verluidt ontbrak de afgelopen feestdagen in menig kerstpakket de traditionele fles Franse wijn. Aangenomen mag worden dat het hier een protest betrof tegen de Franse kernproeven. Is hier geen sprake van paradox? De wereld loopt immers wel te hoop tegen wapens die - hoe vernietigend ook - in beginsel dienen om oorlog te voorkómen, maar de proliferatie van talloze lichte wapens (geweren, draagbare mortieren, handgranaten, mijnen etcetera) die de afgelopen jaren daadwerkelijk een eind maakten aan honderdduizenden mensenlevens, veroorzaakt nauwelijks publieke opwinding.

Wat zijn de feiten? Allereerst heeft het inter-statelijk conflict plaatsgemaakt voor het intra-statelijk conflict. Op twee uitzonderingen na (Irak-Koeweit, Ecuador-Peru), speelden alle gewapende conflicten in de jaren negentig zich binnen de landsgrenzen van een soevereine staat af. In de tweede plaats domineert in deze intra-statelijke conflicten het gebruik van lichte wapens. Zo voltrokken zich in 1993 over de gehele wereld negentig gewapende conflicten, waarin vijfentwintig tot meer dan duizend doden vielen. Op vier conflicten na, vochten de strijdende partijen in deze conflicten vrijwel uitsluitend met lichte wapens. Meer dan negentig procent van de doden en gewonden in deze conflicten was dan ook het gevolg van direct vuur van deze wapens. En de slachtoffers in deze conflicten vielen vooral onder de burgerij. Terwijl tijdens de Eerste Wereldoorlog van het totaal aantal doden nog negentig procent militair was, vielen er sinds de Tweede Wereldoorlog bij gewapende conflicten meer dan 23 miljoen doden te betreuren, waarvan negentig procent burger was.

Voor nationalistische opstandelingen, etnische rebellen, politieke extremisten, terroristen, drugkartels en andere groeperingen is het lichte wapen het strijdmiddel bij uitstek. Het vereist immers vrijwel geen logistieke ondersteuning, training en onderhoud. Daarnaast is het lichte wapen goedkoop en gemakkelijk verkrijgbaar. Bovendien is het gebruik ervan ook niet aan leeftijd of geslacht gebonden. Zo nemen naar schatting regelmatig tussen de 50.000 en 200.000 kinderen beneden de vijftien jaar als full-time warrior deel aan deze conflicten. Het hanteren van het nog geen drie kilo wegende Russchische AK-47 of Amerikaanse M-16 geweer levert voor deze kindersoldaten geen problemen op. Met een vuursnelheid van 600 schoten per minuut is dit wapen even dodelijk in handen van een ongetraind kind als van een volwassen, geoefende militair.

Een geheel aparte categorie is de landmijn. Achtergelaten AP-(anti-personeel) mijnen eisten de afgelopen jaren talloze slachtoffers onder de burgerbevolking in landen als Afghanistan, Angola, Cambodja, Koerdistan en Mozambique. De twee tot zes miljoen landmijnen die in het voormalige Joegoslavië verspreid liggen beperken thans de mobiliteit van de NAVO-troepen in Bosnië. Vele mijnen zijn van plastic, wat opsporing moeilijk maakt.

Naar schatting liggen er 85 tot 100 miljoen niet-geëxplodeerde landmijnen in 62 landen. Het Rode Kruis schat dat de AP-mijn in de wereld elke maand zo'n achthonderd mensen doodt. Daarnaast verwondt of verminkt dit wapensysteem maandelijks nog eens zo'n vierhonderd mensen. Slachtoffers zijn vooral burgers, onder wie veel kinderen.

Zo'n driehonderd ondernemingen in zestig landen voldoen momenteel aan de toenemende vraag naar lichte wapens. China beschikt met ten minste 16 fabrieken over 's werelds grootste industriële capaciteit op dit gebied. Daarnaast is na het einde van de Koude Oorlog de wereldmarkt overvoerd met oudere lichte wapens die tegen lage prijzen verkrijgbaar zijn. Veel lichte wapens die in Rwanda gebruikt werden kwamen uit Oeganda, waar een Russisch AK-47 geweer verkrijgbaar is voor de prijs van een kip. In Swaziland betaalt men voor hetzelfde wapen 6 dollar. In stedelijke centra in Afrika en Azië is het mogelijk automatische wapens per uur te huren. En in Puerto Rico is het niet ongebruikelijk een licht wapen op reguliere wijze per post te bestellen. Belangrijke doorvoerkanalen van lichte wapens bevinden zich in regio's die tijdens de Koude Oorlog voor de Verenigde Staten en de Sovjet Unie van strategisch belang waren. In Afrika is zo'n doorvoerkanaal gesitueerd aan de oostelijke zeekust: alleen al Mozambique herbergt naar schatting 1,5 miljoen AK-47 geweren. In Zuid-Azië telt het Afghaanse doorvoerkanaal ten minste zevenhonderd Stinger raketten naast een assortiment van miljoenen geweren, machinegeweren en artillerieraketten. Maar de proliferatie van lichte wapens beperkt zich niet tot de ontwikkelingslanden. In de Verenigde Staten bevinden zich 212 miljoen wapens in privé-handen en komen er elk jaar 30.000 mensen om door vuurwapens.

Naar ruwe schatting bedraagt de totale wapenexport van lichte wapens wereldwijd inmiddels ongeveer vijf miljard dollar per jaar. Daarnaast schommelt de illegale handel in deze wapens tussen twee en tien miljard dollar per jaar.

De vraag die uiteraard rijst is wat het antwoord van de wereldgemeenschap moet zijn op het proliferatieprobleem van de lichte wapens. Sinds de unanieme aanvaarding van resolutie 46/36 H door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 6 december 1991 staat het probleem van de verspreiding van lichte wapens op de internationale politieke agenda. Deze resolutie gaf de Verenigde Naties speciale verantwoordelijkheid voor het uitroeien van illegale wapenhandel.

In dit verband zou het een belangrijke stap zijn indien het op 1 januari 1992 ingesteld VN-register voor conventionele wapens ook van toepassing verklaard wordt op lichte wapens. Naast gegevens over bepaalde internationale wapenoverdrachten, bevat dit register ook informatie over het beleid dat een land voert met betrekking tot bezit en verwerving van wapens, al dan niet uit eigen produktie. Het register beperkt zich echter tot zeven categorieën zware conventionele wapensystemen en geeft geen informatie over lichte wapens. Nog ambitieuzer zou de mogelijkheid zijn tot internationale controle op de produktie van lichte wapens. Evenals voor nucleaire en chemische wapens, moet het technisch mogelijk zijn een verificatie-organisatie op te richten die regelmatig de wapenfabrieken inspecteert. Maar vele landen zullen zich hier waarschijnlijk tegen verzetten met een beroep op hun nationale veiligheid.

In Afrika is de door de Verenigde Naties geïnitieerde instelling van permanente nationale commissies tegen de proliferatie van illegale wapens een eerste stap voor de noodzakelijke regionale samenwerking op dit continent. Mali fungeert hierbij als 'pilot'. Door een betere coördinatie, training en uitrusting van douane, politie en gedarmerie en het opzetten van nationale informatieprogramma's over illegale wapens poogt dit land een dam op te werpen tegen de verspreiding van lichte wapens. Hiervoor is wel een ontwikkelingsstrategie vereist die maatregelen op het gebied van de veiligheid en ontwikkeling in hun onderlinge samenhang beziet.

Ten slotte kan ook het terugkopen van wapens en het verlenen van amnestie een bijdrage leveren aan de oplossing van het proliferatieprobleem. Een rapport van de Wereldbank over de situatie in Angola, Tsjaad, Mozambique, Oeganda, Zimbabwe, Nicaragua en Panama beveelt aan de wapens terug te kopen tegen een prijs die boven die van de zwarte markt ligt. Zij die hun wapen inleveren krijgen vervolgens algehele amnestie verleend. Maar ook hiervoor geldt dat ontwikkeling en veiligheid onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden.

    • C. Homan