In mij is mijn Meester opgestaan; Fernando Pessoa's worsteling met het Droste-effect

De Portugese schrijver Fernando Pessoa wilde ontsnappen aan zichzelf. Hij vluchtte weg in zestien literaire afsplitsingen en moest ontdekken dat een ander willen worden maar dat zèlf weten een waanverlangen is. “Een hang naar ontpersoonlijking noemt hij het zelf - een omineuze term voor iemand wiens naam in het Portugees 'persoon' betekent.”

Onlangs verscheen een selectie uit de vertaalde brieven en dagboeken van Pessoa.

Fernando Pessoa, Mijn droom is van mij. Brieven, dagboeken, beschouwingen. Gekozen, vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens. Uitg. De Arbeiderspers (Privé-domein), 286 blz. Prijs ƒ 39,90.

De kunst om niet te leven wordt slechts door enkelen beheerst, als je het steeds populairder wordende middel van de zelfmoord niet meerekent tenminste. Weinigen ontsnappen uit de gevangenis genaamd hier en heden, alleen de ware dromer is het vergund zichzelf te ontvluchten en een vreemde te worden, om als voorbijganger, gehuld in de zilv'ren mist van het vermoeden en het oningeloste, van ginds naar elders te verdwijnen. In de dagelijkse omgang is zo'n houding onpraktisch en leidt zij tot tal van ongemakken en misverstanden, maar in de taal van de ziel heeft zij het rijk alleen. De verbeelding is een kameleon die moeiteloos de gedaante aanneemt die de woorden haar voorschrijven. In dit opzicht is de empirische werkelijkheid, waar de regen niet ophoudt als wij dat willen, de bus net vertrokken is en wij in het algemeen niet krijgen wat we wensen, maar een armzalige toestand. Hoeveel beter zouden wij het niet zelf kunnen verzinnen? Niet de minsten onder ons zijn deze bedrieglijke weg ingeslagen. Dichters, zoals Baudelaire, schilders (Gustave Moreau) en zelfs koningen (Ludwig II van Beieren - 'Ik wil een raadsel blijven, voor anderen en voor mijzelf') zochten bedroefd het onmogelijke. Ze konden niet anders, aangezien het bestaanbare hen te zeer tegenstond.

Ook de Portugese dichter Fernando Pessoa (1888-1935) leed aan deze romantische pseudologia fantastica. Alleen werd bij hem de negentiende-eeuwse Droom verpletterd onder het twintigste-eeuwse Bewustzijn, dat Droste-effect van doorgronden en doorgronden totdat er niets van overblijft. Pessoa was ten diepste doordrongen van het dubbelzinnige, tegenstrijdige en paradoxale van zijn waanverlangen: zichzelf willen verliezen maar het zélf moeten zijn om het te ervaren, een ander willen worden maar het zélf weten, naar je eigen schaduw kijken en hopen dat hij iets onverwachts zal doen. Zijn werk wekt daardoor vaak de indruk dat de schrijver zich van iets probeert te overtuigen waar hij zelf niet in kan geloven.

Het 'zelf' dat in de weg staat, was Pessoa's grootste obsessie. Een hang naar ontpersoonlijking noemt hij het zelf - een omineuze term voor iemand wiens naam in het Portugees 'persoon' betekent.

Alleen in het schrijven kon hij ontsnappen aan zichzelf, dan ontstond er op papier een 'ik' dat hij niet kende. 'Je est un autre', zei Rimbaud, maar voor Pessoa was er werkelijk een ander aan het woord. Hij schreef 'als werd het hem gedicteerd', hij was het 'medium van figuren die hij zelf had gecreëerd' en 'die een ogenblik, een uur, enige tijd lang, zich met hem vereenzelvigden in hun doorgang door zijn persoonlijkheid'.

Mythomanie

Deze maskerade is moeilijk te doorgronden. Het lijkt scherts, zeker wanneer hij van al die gelegenheidsschrijvers naam, leeftijd, opleiding, woon- of verblijfplaats en andere personalia gaat opsommen, en misschien is het ook wel als scherts begonnen, maar in de hardnekkigheid waarmee hij deze mythomanie zijn hele leven volhoudt, steekt een krankzinnige ernst.

Het doet denken aan een spiritistische séance, als hij beschrijft hoe de heteronieme dichters aan hem, of eerder: in hem, verschenen. (Pessoa gebruikt consequent de katholieke vakterm 'verschijnen' als het om zijn heteroniemen gaat.) Op 8 maart 1914, staande achter zijn katheder (hij stònd altijd te schrijven) overkwam hem 'een soort extase'. Buiten zijn wil om - Pessoa maakt er zowat een wonder uit een heiligenleven van - vond hij een titel, De hoeder van kudden. De vreemde die in zijn innerlijk het woord had genomen, noemde hij zonder aarzeling Alberto Caeiro. En deze onaangekondigde gast dicteerde hem plompverloren dertig gedichten. 'Het was de triomfantelijkste dag uit mijn leven,' verklaarde Pessoa later, want hij wist: 'In mij is mijn Meester opgestaan.' Ook de leerlingen van de Meester, de classicus dr. Ricardo Reis en de scheepsbouwkundige ir. Alvaro de Campos, werden op soortgelijke wijze 'in mijn geest geboren'.

Tot verwarring van Pessoa bleken de heren elkaar veelvuldig in de haren te vliegen. 'Het ging buiten mij om.' Het enige wat Pessoa kon doen, was de discussies optekenen. Na de vroegtijdige dood van Meester Caeiro (hij stierf in 1915 op 26-jarige leeftijd aan tuberculose) polemiseerden vooral Reis en Campos over poëticale en andere kwesties. Pessoa hield zich naar zijn zeggen liever afzijdig. Ook over hun stijl van schrijven, onderling zeer verschillend, liet hij zich slechts summier uit: 'Caeiro schreef slecht Portugees, Campos redelijk maar met af en toe een lapsus als 'mijzelf' in plaats van 'ikzelf', enzovoort, Reis beter dan ik, maar met een purisme dat ik overdreven vind.'

Dit zijn de belangrijkste heteroniemen - samen met de slaperige hulpboekhouder Bernardo Soares, die Het boek der rusteloosheid schreef, het 520 capita tellende kasboek van de nacht, waarin de balans wordt opgemaakt van een failliet leven. Bij elkaar hebben zestien heteronieme persoonlijkheden kortere of langere tijd van Pessoa gebruik gemaakt - sommigen met namen die niets te raden overlaten, zoals Alexander Search, Robert Anon en Jean Seul.

Geesten

In zijn mythomane zinsbegoocheling ging Pessoa heel ver, hij maakte zich zelfs wijs dat hij over mediamieke gaven beschikte, zoals blijkt uit een brief aan zijn tante Anica. Daarin vertelt hij dat hij 'het bezit is van iets anders'. Hij merkte het voor het eerst toen hij terugkwam uit het café A Brasileira. Plotseling werd, zonder dat hij het wilde, zijn rechterarm opgeheven en werd hij 'gedwongen' tot het opschrijven van allerlei rare boodschappen, zoals de handtekening van zijn oom Cunha. Ook later bezochten de geesten hem, maar het waren, moest hij tot zijn spijt vaststellen, telkens boodschappen waar geen touw aan vast te knopen viel.

Voorts bespeurde hij bij zichzelf de gave van het 'astrale zien': 'Eén keer heb ik op een gelukkig moment - 's morgens in A Brasileira aan het Rossio - zelfs iemands ribben gezien, dwars door zijn pak en zijn huid heen.'

Vreemde verhalen. Het enige wat vaststaat, is dat bij deze bovennatuurlijke gebeurtenissen het café A Brasileira een sleutelrol vervult. Of het waar is, is trouwens niet belangrijk. Belangrijk is alleen dat Pessoa er blijkbaar in wílde geloven. Hij wilde kennelijk in alles geloven wat hem losmaakte van zichzelf, d.w.z. van zijn bewustzijn. Vandaar ook de 'mediamieke' verklaring voor zijn heteroniemen. Schrijven was voor hem een soort droomtoestand, onbewust worden. Als hij schreef, bestond hij niet - althans niet als de handelscorrespondent F. Pessoa die in Lissabon op een huurkamer woonde. Staande achter de katheder werd hij een ander, iemand die gedachten verwoordde waar hij zonder te schrijven geen idee van had gehad. En de tegenstrijdigheden die hierbij optraden, moesten dus aan verschillende anderen worden toegeschreven. De meeste schrijvers zouden zulke tegenspraak over personages verdelen, Pessoa, die immers als schrijver afwezig was, ging er echter van uit dat er bij verandering van inzicht kennelijk een andere schrijver het woord had genomen.

Maar Pessoa zou Pessoa niet zijn als hij niet tegelijkertijd wist dat het niet echt was. Hij wilde er weliswaar in geloven, toch wist hij dat het verzonnen was. 'Ratiocinatie' noemt hij deze benadering, een neologisme dat zowel 'rede' als 'vervoering' in zich draagt. Onecht was voor hem overigens geen bezwaar, in tegendeel. Juist het echte stelde hem teleur, alleen het kunstmatige kon hem niet bedriegen. Geloven in een verzinsel is natuurlijk een paradox, maar de paradox, die grote verzoener der onverzoenlijkheden, was Pessoa's huismiddeltje, omdat het in woorden verbindt wat elkaar in werkelijkheid uitsluit.

Al uit een heel vroeg, in het Engels geschreven prozafragment - hij was toen achttien jaar - blijkt zijn voorkeur voor droombedrog. 'Ik ontdekte in mijzelf een aangeboren neiging tot mystificatie, tot de kunst van het liegen. Voeg daarbij een grote hartstocht voor het spirituele, het mysterieuze, het obscure (-) dan heb je, bij benadering, mijn hele persoonlijkheid voor je.'

Je bent, als je dit leest, bijna geneigd de mystificatie rondom de heteroniemen als een soort innerlijk dandyisme te beschouwen, ware het niet dat Pessoa het spel zo ernstig speelt.

Beklemming

Wat mij - ondanks de drukte in het ratiocinerende hoofd van Pessoa - telkens weer verbaast, is dat dit veelzijdige werk toch steeds zo solipsistisch blijft. 'Een schizofreen is nooit alleen,' luidt het gezegde, maar hier is de eenzaamheid bijna niet te harden. Hoe meer verschillende stemmen, hoe beklemmender, lijkt het wel, aangezien er door al die personen met hun eigen eigenaardigheden een leven lang hetzelfde deuntje wordt gezongen. Het is een sombere, treurige polyfonie. Je kunt vroege gedichten citeren of late, van het ene heteroniem of het andere, het klinkt allemaal alsof het op een grafzerk is gebeiteld. 'Zij zijn gelukkig omdat zij mij niet zijn.' 'Ik ben niets. / Ik zal nooit iets zijn. / Ik kan ook niet iets willen zijn. / Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.' 'Het leven is niets.' Of, onverbeterlijk beter gezegd: 'Het leven is de buitenkant van de dood.'

De existentiële afkeer loopt als een leitmotief door het hele werk. Het is te lezen als één grote apologie van het verzaken. Of het nu de modernistisch-melancholische lyriek van Campos betreft, de klassiek-verheven verzen van Reis of de alles aanvaardende natuurmystiek van Caeiro, steeds is er die afstand tot de dingen, de afstand van de toeschouwer die zijn hoofd dieper tussen zijn kraag trekt en eventjes rilt, omdat hij met deze onbegrijpelijke misère niets, maar dan ook niets te maken hoopt te krijgen. Het is alsof Pessoa het leven van alle kanten monstert, van onderen, van opzij, van boven, maar er hoe dan ook geen aardigheid in kan ontdekken. Hij lijkt hierin op die andere veelstemmige tobber, S⊘ren Kierkegaard (Stadia op de levensweg. Studiën door verschillende personen, bijeengebracht, bezorgd en uitgegeven door Hilarius Boekbinder), die eveneens in alle toonaarden tot dezelfde conclusie kwam: nee.

Wat rest, is de droom, het irreële. 'Ik heb altijd toebehoord aan wat niet is waar ik ben en aan al wat ik nooit kon zijn,' laat Pessoa zijn heteroniem Bernardo Soares schrijven in Het boek der rusteloosheid. Het bereikbare, het mogelijke, is in zijn beperktheid voor Soares in wezen iets negatiefs: ergens zijn, is ergens anders niet zijn, iets is niet iets anders. En alleen het Andere, het Onmogelijke heeft hem altijd de moeite waard geschenen. 'Ik heb nooit iets anders willen zijn dan een dromer. Dat en dat alleen is de zin van mijn leven geweest,' zegt Soares, want handelen is zich beperken, zich neerleggen bij de feiten, maar in de droom blijft het Onmogelijke onverlet. Immers, ook wat niet bestaat, wordt moeiteloos opgeroepen in de geest.

Onuitgegeven zijn

De mooiste herinneringen bewaarde Soares naar zijn zeggen aan wat hij nooit had beleefd en van zijn grootste verwachtingen hoopte hij dat ze nooit zouden uitkomen.

Zelfs het schrijven is hem, als het er op aankomt, nog te actief. 'Hier dit moeten schrijven,' verzucht de vermoeide hulpboekhouder, 'omdat het voor mijn ziel nodig is te doen, en niet in staat zijn om zelfs dit alleen maar te dromen, uit te drukken zonder woorden, zelfs zonder bewustzijn, door een constructie van mijzelf in muziek en omlijning, zodat ik tranen in de ogen zou krijgen enkel van me te voelen uitdrukken, en als een bekoorlijke rivier langs trage hellingen van mijzelf steeds meer naar het onbewuste en het verre zou stromen, zonder enige zin behalve God.'

'O Heer, verlos mij van mijzelf,' schreef Pessoa in zijn jonge jaren. 'De kwaal van het leven, de ziekte bewust te zijn,' heet het bij Soares. De droom, het irreële, of zoals Campos het noemt: het Onmogelijke - het zijn stuk voor stuk uitdrukkingen van het verlangen zichzelf te vergeten, te verliezen.

Het gedroomde bestaan werd voor Pessoa zo'n obsessie, dat hem op den duur ook het publiceren ging tegenstaan. Hoe overtuigd hij bijwijlen ook was van zijn uitzonderlijkheid, hij droomde liever over zijn onvergelijkelijke werken dan ze in der daad te laten drukken. Ook in de literatuur zocht hij het schijnbestaan; hij verkoos de hypothese boven het bewijs, de verwachting boven de verwezenlijking, de leugen boven de waarheid.

In de brieven die nu door Harrie Lemmens zijn vertaald in Mijn droom is van mij lees je de voortdurende aarzeling - de overwegingen, het uitstel, de gewijzigde plannen, kortom, de smoezen. 'Er is geen reden om u wat dat betreft zorgen te maken. Als ik echt Caeiro, Ricardo Reis en Alvaro de Campos zou willen publiceren, kan ik dat onmiddellijk doen.' Waarom doet u het dan niet? 'Ik ben bang dat dit soort boeken in het geheel niet verkoopt,' heet het de ene keer. 'Dit is niet iets dat snel gedaan mag worden,' een andere keer. Tegen zijn moeder is hij misschien het openhartigst: 'Het feit dat ik een boek ga publiceren zal mijn leven veranderen. Ik verlies iets - het onuitgegeven zijn.'

Hoe langer hij zijn debuut uitstelde, des te mysterieuzer hij werd. In letterkundige kring was hij immers allang een bewonderde figuur. Deze faam had hij te danken aan de gedichten, manifesten en beschouwingen die hij in de loop der jaren in tal van tijdschriften had gepubliceerd. Maar in het bijzonder had hij de aandacht op zich gevestigd met het al gauw legendarische tijdschrift Orpheu, waarin onder meer Alvaro de Campos' sublieme Ode van de zee was opgenomen. Orpheu, dat slechts twee afleveringen lang bestond, van januari tot juni 1915, geldt in de Portugese literatuur als de klaroenstoot van het modernisme.

Misschien was hij geschrokken van wat hij teweeg had gebracht, feit is dat hij opzag tegen de haast onvermijdelijke roem die hem ten deel zou vallen wanneer hij 'echt ging publiceren. Aan zijn moeder schreef hij - in 1914 nota bene, dus nog vóór Orpheu: 'Mijn vienden zeggen dat ik een van de grootste dichters van deze tijd zal zijn - ze zeggen dat op grond van wat ik geschreven heb. (-) Maar weet ik werkelijk wat dat betekent, zelfs als het waar wordt? Weet ik waarnaar het smaakt? Misschien smaakt de roem naar dood en nutteloosheid, en riekt de triomf naar verrotting.'

Zo zou hij steeds blijven denken. In zijn studie over roem, genialiteit en onsterfelijkheid, Herostratus (in De anarchistische bankier), schrijft hij: 'Realisering is de dood, want het is het einde.'

En toen hij in 1935, 47 jaar oud, bezweek aan de gevolgen van overmatige alcoholconsumptie, vond men op zijn huurkamer twee volgepakte kisten met daarin meer dan 27.000 bladzijden manuscript. Op een van die bladzijden, vlak voor zijn dood gedateerd en kennelijk geïnspireerd op de medische diagnose, stond geschreven: 'Geef mij nog wat wijn, want het leven is niets.'

    • P.F. Thomése