Ik zoek mijn aardbeving op papier; Kristien Hemmerechts over haar onthechte vrouwen

Voor de Vlaamse schrijfster Kristien Hemmerechts is liefde altijd met schuld en boete verbonden. De vrouwen in haar boeken zijn niet op zoek naar adoratie, maar naar het allerhoogste in de liefde. Volgende week verschijnt Hemmerechts' tiende boek, de verhalenbundel Kort kort lang. “Het ergste wat je iemand kunt aandoen, is hem of haar niet straffen.”

Kristien Hemmerechts: Kort kort lang. Uitg. Atlas, 165 blz. ƒ 29,90. Verschijnt volgende week. Het werk van Kristien Hemmerechts is verschenen bij uitgeverij De Abeiderspers en uitgeverij Atlas.

Het verhaal uit de bundel Lang geleden heet 'Scherven'. Een naakte vrouw, Annette, ligt geblinddoekt en vastgebonden met nylon zeiltouw op bed in de slaapkamer. Ze is als een exotische vlinder, uitgestrekt en vastgepind. Een aardbeving doet het huis op zijn grondvesten trillen, de vrouw wordt ruw door elkaar geschud. Ze is weerloos. De muren dreigen te scheuren, de gebinten kraken. Haar minnaar is met opzet even weggegaan. Ze schreeuwt vergeefs om hulp. Door de aardschokken breekt in een andere ruimte een terracotta kruikje, waarvan de man de scherven voorzichtig bij elkaar veegt. Ze is alleen en bang, ze wil niet dood. Haar straf van het vastgebonden zijn ondergaat ze op een erotische manier.

Kristien Hemmerechts (1955) schrijft over deze man en vrouw, die ondanks alles een liefdespaar vormen: 'Door haar te straffen bevrijdde hij haar van haar zonden. Bestond er grotere liefde dan die van hem die bereid was om de zonden van een ander op zich te nemen? Zie het Lam Gods dat wegneemt de zonder der wereld, ontferm u over ons.' Die laatste zin wordt nog twee keer herhaald, als betrof het een gebed.

Een passage als de voorafgaande is geen zeldzaamheid in het oeuvre van Kristien Hemmerechts. Deze vrouw is niet de enige vrouw in haar romans en verhalen voor wie zelfvernedering en seksualiteit hecht met elkaar zijn verbonden, en voor wie seksualiteit niet los te zien is van religie. Zo vertelt Hemmerechts in het verhaal 'IJs', uit haar nieuwe bundel Kort kort lang, over een meisje dat elke zondagmiddag - de dag des Heren - om drie uur aanbelt bij een man voor wie ze zich uitkleedt, danst, haar benen spreidt, hem naar haar lichaam laat kijken. Nadat hij zijn hoogtepunt heeft bereikt, geeft hij haar geld en gaat ze weer weg. Ze speelt voor hem de hoer maar ze verlangt naar liefde. Het geld heeft ze niet nodig. Toch geeft ze zich prijs aan het voyeurisme van de man. Ze kan zich niet onttrekken aan zijn verlangens. Waarom doet ze dat?

Een andere vrouw, uit de roman Veel vrouwen, af en toe een man, geniet ervan als haar minnaar haar in alle standen fotografeert. Niets van haar lichaam mag voor hem en de camera verborgen blijven. Ze speelt graag de grote zondares op wie God neerkijkt. Met opzet morst ze champagne, zodat die langs haar lippen en mondhoeken over haar borsten en buik loopt, tussen haar benen verdwijnt. Aan het slot wil ze dat de foto's tentoongesteld worden: “Ik wil dat iedereen ze ziet.” Ze levert zich uit aan elke man die naar haar wil kijken. Daaraan ontleent ze trots en ongenaakbaarheid.

Het is een beklemmende, soms vreeswekkende wereld die Kristien Hemmerechts oproept. Een wereld zonder veiligheid of beschutting. Ondanks de aantrekkingskracht tussen mannen en vrouwen drijft een onzichtbaar noodlot hen telkens uiteen. In de liefde moet tederheid vaak wijken voor agressie, zoete romantiek is ver te zoeken. Wat hebben de, veelal vrouwelijke, hoofdpersonen van de liefde te verwachten, die ze enerzijds vol passie najagen en anderzijds alleen kunnen beleven in bizarre seksuele rollen? Onaantastbare madonna's zijn de vrouwen nooit, eerder prostituées, lichamen voor mannen. Objecten om naar te kijken, te vernederen. Omdat ze het liefst van laag allooi willen zijn, wijzen ze elke adoratie af. Na de liefde voelen ze zich ijskoud.

Ruiker

De dagen tussen kerst en oudejaar brengt de Vlaamse schrijfster in Amsterdam door. Overstelpend zonlicht uit een helblauwe lucht valt door de ramen van een bovenwoning in Nieuw-Zuid naar binnen. In Vlaanderen heeft ze de naam een agressieve tante te zijn, in Nederland is er nooit zo hardvochtig over haar geoordeeld. Ze is gesteld op Amsterdam; vroeger maakten de mensen zich er vrolijk over als ze met haar Vlaamse accent sprak, nu niet meer. Nu kan ze 'ruiker' zeggen, zonder dat iemand haar verbetert. Ze lacht veel, ook als het niet altijd even rooskleurige lot van haar personages ter sprake komt.

“Mijn personages”, zegt ze, “verlangen van de liefde het allerhoogste, zoals Anna in mijn eerste roman Een zuil van zout. Maar uiteindelijk blijven ze toch met lege handen achter. Alleen het volmaakte telt, het absolute. Anna wijst alles af wat niet authentiek is. Het spel zó hoog spelen, is natuurlijk gevaarlijk. Maar dat is juist wat me in haar intrigeert. In mijn werk vervullen de onaangepaste karakters de hoofdrol. Onaangepasten zijn het interessantst. Als schrijver kan ik me door hen laten verrassen, zij doen niet wat de gewone sterveling doet en al helemaal niet wat je van hen verwacht. Hun tragiek is dat ze de hoop die ze zo zorgvuldig koesteren niet met hun ervaringen in overeenstemming kunnen brengen; dat maakt hen eenzaam.

“Natuurlijk zou ik het prettig vinden als de wereld werd bevolkt door zelfbewuste, sterke mensen, die weten hoe het eventueel zou moeten. Maar dan zouden er geen verhalen of boeken meer nodig zijn. Ik schrijf over alles wat maakt dat niet gebeurt wat we willen. We schieten tekort jegens onszelf, jegens anderen...” En dan ineens, zonder aanleiding, wordt ze fel: “Ik ben geen feministische auteur, ik heb geen feministische boodschap. Maar als er een vrouw naar me toekomt met problemen, dan kan ik heel rationeel redeneren dat ze voor zichzelf moet opkomen. Waarom doe je niet wat je wilt? Waarom ga je niet weg? Uit lafheid, angst om iemand of iets te verliezen, materiële afhankelijkheid? Ik ben nieuwsgierig naar het gedrag van mensen, hun beweegredenen, waarom ze doen wat ze doen. Of juist laten.”

Als voorbeeld haal ik de vrouw aan uit 'IJs'. Ze voldoet aan de wensen van de man; zichzelf vlakt ze uit. Met een korte, nuchtere zin waarin ze zich als prooi aanbiedt, begint het verhaal: 'Wat hij wilde dat ik deed.' En verderop staat: 'Mijn rok hoger en hoger tot hij alles kon zien wat hij wilde zien. Maar het was niet genoeg. Kon ik ook open? Mijn adem stokte in mijn keel. Hoe had hij geweten dat het dit was wat ik wilde doen? (-).'

In geserreerde bewoordingen beschrijft Kristien Hemmerechts het bezoek van de vrouw aan de man. Ze zegt erover: “Wat me interesseert zijn de machtsverhoudingen tussen hem en haar. Zij hangt de hoer uit. Iedereen is dan altijd meteen nieuwsgierig naar het autobiografische gehalte van zo'n scène, nu, ik heb zoiets nooit gedaan. Ik heb ook nooit vastgebonden gelegen tijdens een aardbeving. Als ik erover schrijf, krijg ik mijn aardbeving op papier. Ik plaats mijn personen in een context. De vrouw uit 'IJs' kan zich niet van de man losmaken, zij voldoet aan de seksualiteit van het mannelijke oog. Die man verlaagt haar tot hoer omdat hij bang is voor vrouwelijke seksualiteit.

Begeertes

“Wat ik onvoorstelbaar vind in deze maatschappij is de buitensporige tolerantie voor alles wat met de vervulling van mannelijke begeertes heeft te maken. Bordelen, hele straten met sexshops, call-girls: alles staat ten dienste van de man. Zie eens hoeveel tijd er voor voetbal wordt ingeruimd, wat toch een mannelijke sport is. Hoe kunnen vrouwen hun seksuele honger stillen? Moeten ze maar tegen de muur op vliegen? Een vibrator nemen? In de oorlog in het voormalige Joegoslavië werd verkrachting systematisch als wapen gebruikt. Alle meisjes en vrouwen in een dorp moesten eraan geloven. Draai het eens om: zouden er bataljons vrouwelijke soldaten zijn die in een dorp alle jongens en mannen gingen verkrachten? Het is niet zo dat ik vind dat alle mannen verkrachters zijn; ik denk dat vrouwen ook kunnen verkrachten en seksueel kunnen mishandelen. Dat gebeurt trouwens. Ook moeders plegen incest met hun kinderen. Maar nu hebben in Joegoslavië de mannen het gedaan, een paar kilometer verderop, in deze tijd... Dat maakt me somber.

“Ik zeg niet dat het goed is zoals die vrouw uit 'IJs' zich blootgeeft aan die man. Of dat zoiets zou moeten. Het gebeurt in dat verhaal, en ook in de werkelijkheid. Ik wil weten waarom. Ik ben verbijsterd over wat ik om me heen waarneem, en de enige methode om die verbijstering te weerstaan en te bezweren is door te schrijven. De wereld is dom, lelijk, dwaas, kwaad, gevoelloos. Toch ben je gedwongen erin te leven. In die zin beschouw ik mijn schrijverschap als een wraakoefening: om me te weer te stellen tegen de verschrikkingen die het leven voor ons in petto heeft.”

Er is iets dat ik niet begrijp, zeg ik. De beide vrouwen, zowel uit 'Scherven' als uit 'IJs', kunnen zich toch verzetten tegen die mannelijke overheersing in de seksualiteit? Hemmerechts: “Het blijkt voor hen onmogelijk te zijn te ontsnappen aan de blik, aan de dwingende eisen van de mannen. Als ze zich aan de man uitleveren, is dat voor hen een boetedoening. Voor de generatie vrouwen van mijn leeftijd, opgegroeid in het strenge katholieke Vlaanderen, is seks altijd verbonden geweest met zonde. Als je als meisje floot, was je lichtzinnig. Dan was er vast iets meer met je aan de hand. Ik heb alles op alles gezet om te leren fluiten, nee, niet op twee vingers, maar zo... met getuite mond.

“Volgens het katholieke geloof ben je in zonde ontvangen en schuldig geboren. Als vrouw mag je je niet laten gaan, je moet de beheersing over jezelf behouden. Overgave is zondig. Veel vrouwen uit mijn werk, zoals Annette in 'Scherven', zijn dankbaar voor de straf die mannen hen geven. Het ergste wat je iemand kunt aandoen, is hem of haar niet straffen. Religie en seksualiteit liggen dicht bij elkaar. In de katholieke kerk neemt de priester de zonden op zich. Als je daarna geen penitentie doet, ben je niet bevrijd van de zonden. Zo vergaat het mijn personages: ze kunnen alleen seks bedrijven als ze gestraft worden. Uit zelfvernedering tot geluk komen.

“Al zal iedereen nu voluit toegeven dat vrouwen hun eigen seksualiteit moeten ontdekken en beleven, de eeuwenoude traditie van gevallen vrouwen is niet in een keer teniet te doen. Madame Bovary, Anna Karenina, Maria Magdalena zijn niet weg te wissen symbolen. Ik moet de vrouw nog ontmoeten die de seksuele zelfverzekerdheid heeft die in sommige bladen zo wordt aangeprezen. Sommige vrouwen ontdekken pas hun seksualiteit als ze vijftig zijn, met een nieuwe geliefde. Na de jaren met man en kinderen durven ze aan hun eigen verlangens en passie toe te geven.

Meesterwerk

“Toen ik begon te schrijven las ik heel nadrukkelijk vrouwelijke auteurs. Ik koos op sekse. Bij Virginia Woolf, Rebecca West, Fay Weldon of Katherine Mansfield zocht ik die stem, al ging het over het schikken van bloemen in vazen. Toch kan ik moeilijk aanduiden wat nu het specifieke is van die vrouwelijke stem, misschien het onnadrukkelijke van het proza. Mannen hebben meer de neiging pompeus te schrijven, zo van: 'Dit is mijn meesterwerk.' Vrouwen niet. In de echo van die schrijfsters ben ik zelf gaan spreken.

“Misschien heb ik wel van hen geleerd om niet over culturele bagage in mijn boeken uit te pakken. Ik maak nauwelijks of geen verwijzingen naar de schilderkunst, literatuur of muziek. Sta je in een museum, wordt er gezegd: 'Eerbied, dames en heren, dit is een meesterwerk.' Dat maakt blind. Of er klinkt een compositie en dan moet je dat schitterend vinden. De verwonderde ervaring van een kind is mij dierbaarder. Ik trek liever dat kunstwerk omlaag naar mijn niveau. Ik kijk ernaar, en vervolgens mag het weer de hoogte in schieten.

“Mannen zijn sneller tot adoratie geneigd dan vrouwen, denk ik. Maar in de liefde werkt die adoratie niet. Vrouwen zullen niet vallen voor een man die hen ophemelt. Dat is niet uitdagend; er moet spanning blijven.”

Al staan er heftige waarheden in de verhalen en romans van Kristien Hemmerechts, toch blijven de gebeurtenissen die ze beschrijft raadselachtig. Ik vraag haar of ze er weleens aan gedacht heeft voor toneel te schrijven. Harold Pinter is een auteur met wie ze zich verwant zou kunnen voelen. Een van zijn thema's is het seksuele rollenspel tussen man en vrouw, zoals bijvoorbeeld in De minnaar. “Van toneel heb ik altijd begrepen dat je schrijft in samenwerking met een regisseur. Ik kan me daarbij niets voorstellen. De enige keer dat ik een scenario schreef voor de televisie zat ik met iemand van de dramaturgie aan tafel. Er moest over de personages veel uitgelegd worden. Dat was een prettige ervaring, maar als ik een roman schrijf dan wil ik niet rechtstreeks benoemen. Dan sluit je alles af. Ik wil een boeiende complexiteit neerzetten, ik schrijf vanuit de aarzeling en de intuïtie.

“Aan de Katholieke Universiteit van Brussel doceer ik onder meer Amerikaanse korte verhalen. Het niveau van die verhalen valt dikwijls tegen, vooral als de auteurs zich niet inleven in hun personages, als ze er aan de buitenkant eigenschappen opplakken. Ik concentreer me op de persoonlijkheid. Ik ga in hun hart en hoofd. Wat doet iemand en wat niet? Het ergert me wanneer een schrijver teveel uitlegt. Dan rest de lezer niets anders dan in deemoed te knikken. Een verhaal moet ongrijpbaar zijn, het moet fluïde bezitten. Ik bied een lezer beelden aan, zeker in mijn korte verhalen. Beelden met stemmingen, geladen met betekenis. Volgens mij is het een Nederlandse protestantse gewoonte om personages zoveel inzicht in hun eigen handelen te laten hebben. Ik laat gebeurtenissen zich voltrekken, zonder verklaringen te geven. Waarom zou je in romans gaan doen alsof er inzicht is? Er is helemaal geen inzicht.”

Sprookjesachtig

Met Kort kort lang nadert Kristien Hemmerechts het autobiografische dichter dan in eerdere boeken. Zeker in het laatste verhaal, 'Een huwelijk', dat openhartig haar jaren beschrijft met haar ex-man. Ooit eerder was ze zo onverbloemd, namelijk in 'Sprookje' uit Kerst en andere liefdesverhalen. Op aangrijpende manier schetst ze in dit verhaal de keerzijde van alles wat als sprookjesachtig is te beschouwen: een man en een vrouw krijgen kinderen, maar die blijven niet leven.

Twaalf jaar geleden overleed het eerste kind van Kristien Hemmerechts aan wiegedood, acht jaar terug het tweede. Beiden zoontjes. In 'Een huwelijk' keert dit thema terug: “Hij had toen al een kind verloren en moest ook dit zoontje nog gaan verliezen, maar ook ik had een kind verloren. We hadden samen een van onze kinderen verloren, maar zo voelde het niet. Het voelde alsof hij een kind had verloren en ook ik een kind had verloren. We hadden elk afzonderlijk een kind verloren.”

“Ik voelde me schuldig aan hun dood”, zegt ze. “Ik had het idee dat er op mijn voorhoofd een zwarte 'S' stond gekerfd: van schuld, schande, straf, schaamte. Afgelopen zomer, op de twaalfde geboortedag van mijn oudste zoontje, belde ik mijn ex-man op, zijn vader. Ik vroeg in tranen: “Denk je dat ik ze heb vermoord?” Hijzelf had nooit het gevoel gehad dat hìj ze had vermoord. Ik zal dat toch altijd blijven denken. Een baby moet door de moeder verzorgd worden. Als een baby geboren wordt, is dat een geschenk. Maar als het doodgaat? Wat dan?”

In het werk van Kristien Hemmerechts is het verlangen naar moederschap even sterk als het verlangen naar onafhankelijkheid; is de drang van de vrouwen om een huis te willen bewonen even sterk als de drang dat huis weer te verlaten. Die tegenstrijdigheden beheersen het denken en handelen van haar personages. Ze zegt dat ze sinds haar veertiende jaar geen gevoel van een echt 'thuis' meer heeft gehad: “Thuis hoort bij je kindertijd. Het is het ideaalbeeld van geborgenheid, want niets is heerlijker dan een plek te hebben waarnaar je altijd kunt terugkeren. Als je volwassen bent, moet je dat thuis opnieuw creëren, voor jezelf, je gezin, de kinderen. Maar ik vind het hebben van bezit steeds beklemmender. Mensen laten moeilijk los; ik streef naar onthechting. Ik geef heel gemakkelijk spullen van vroeger weg. Laatst vertelde een vriendin mij dat ik haar eens een olielamp van mijn grootvader had gegeven. Ze vond dat vreemd en vroeg of ik die niet terug wilde hebben.

“Misschien heeft dat verlangen naar onthechting wel te maken met de prijs voor het schrijverschap, die ik hoog vind, te hoog soms. De eenzaamheid die het vergt, de afzondering. Het is een bizar beroep, want je loopt maanden met personages in je hoofd over wie je niet tegen anderen wilt spreken. Ik zou in mijn geest en in mijn leven zuiver willen zijn, dan moet ik steeds meer weggooien, me steeds meer ontdoen van de ballast van het verleden. Je zou toch heel goed in hotelkamers kunnen leven? Credit-card op zak. Verder niets. Een schrijver heeft niet meer nodig dan goed papier en een pen. En wat kleren. Dat is voldoende. Als je je graf in gaat heb je immers ook alleen maar wat kleren aan.”