Het overrompelende Heilige Warhoofd

De Engelse schrijver Robert Graves hoort volgens Kees 't Hart thuis in het rijtje Joyce, Musil en Nabokov. “Ja, schrijven zoals Graves schrijft! Dit ongeremde enthousiasme, deze verdediging van literatuur, daar lever ik heel wat theoretisch verantwoorde beschouwingen over literatuur, wetenschap en maatschappij voor in.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Robert Graves: De schreeuw en andere verhalen. Uitg. Wereldbibliotheek, 186 blz. Bij De Slegte voor ƒ 13,90.

Er zijn schrijvers die ik al las voordat ik goed besefte wat ik aan het lezen was. Robert Graves is er een van. Toen ik een jaar of veertien was, vond ik het in de boekenkast van mijn ouders. Het was daar blijkbaar vanuit de hemel neergedaald, het boek Ik, Claudius, een Elsevierpocket uit 1961. Het staat nu in mijn eigen boekenkast. De naam van de schrijver, Robert Graves, zei me toen nog niets, daar was het bij mijn lezen ook niet om begonnen. Ik begon te lezen en was verloren. Zo erg was het bij mij nog niet geweest. Ik las het in een paar dagen uit, als in een verliefde droom. Ik weet zelfs nu nog waar ik het las: in de huiskamer op de bank, vlakbij een vaas met een plant erin. Dat er zulke boeken bestonden. Veel later, ik was Robert Graves bijna vergeten, zag ik de televisiebewerking ervan, ergens in 1977, met Derek Jacobi als Claudius, om je kapot te lachen en je diep te schamen, een potsierlijk brallende Augustus, Engels huiskamertheater met de keizerlijke Caesar-familie - allemaal roodharige sproetkoppen - rond het ontbijt waar nog net geen ham and eggs werd geserveerd.

Ik was Robert Graves bijna kwijtgeraakt, maar hij bleef me vergezellen. Bijvoorbeeld toen ik in de jaren zeventig in een interview met Robert Wyatt, de onvergetelijke drummer van de popgroep The Soft Machine, las over een eigenaardige oude kerel, 'a funny old guy, a writer', op Mallorca, waarmee hij paddestoelen snoof, at of rookte. Ja, en dat was dus Robert Graves, geboren in 1895, gestorven op Mallorca in 1981. Ik herlas daarna Ik, Claudius en ook Claudius The God and his Wife Messalina maar die eerste lezing ben ik nooit meer vergeten, verliefdheid vergeet je niet, het leek me jarenlang uitgesloten dat ik nog ooit zo onstuitbaar in een boek zou worden weggezogen.

Maar het gebeurde wel. En weer met Robert Graves. En hierna was er geen houden meer aan. Een jaar of zes geleden las ik van hem The White Goddess. Ook mijn huisgenoten hebben dit geweten - 'O God, hij heeft weer eens een mooi boek gelezen'. Ik ben bang dat ik ze oeverloos heb lastig gevallen met citaten uit dit overstelpende boek, met navertellingen, met halffilosofische beschouwingen naar aanleiding ervan, met liefdesverklaringen, maar ook met lachbuien erover, geschater over die onstuitbare verhalen erin, rond het ontstaan bijvoorbeeld van het alfabet, compleet met tekeningen van hunebedden. Want Graves laat zich in zijn boek zo meeslepen door enthousiasme over de theorie van De Witte Godin, dat geen zee hem te hoog gaat haar werkelijke bestaan in het voorchristelijke Europa aan te tonen. Wie denkt dat de interpretatiekunde van literatuur pas recent, sinds de navolgers van Derrida, voorgoed uit de bocht is gegierd, zou zich eens moeten begeven in de wereld van Graves' The White Goddess, daar kan die Derrida nog een puntje aan zuigen. Nog nooit las ik zo'n schitterend mengsel van verbluffend scherpe analyses en rare mythologische vaagpraat (Engelsen stammen volgens Graves uiteraard rechtstreeks van de Grieken af). Dit werk moge dan door Graves bij het verschijnen in 1948 gepresenteerd zijn als Echte Wetenschap - of het dat werkelijk is, daarover is het laatste woord overigens nog steeds niet gezegd - voor mij staat vast dat dit Heilige Warhoofd met dit boek in ieder geval een uniek literair werk heeft afgeleverd, van dezelfde allure als andere grote modernistische meesterwerken. Graves hoort ongetwijfeld in het rijtje Joyce, Musil en Nabokov. Nog wind ik me op over het in 1989 verschenen boek Ecstasies van Carlo Ginzburg (een paar jaar later ook in het Nederlands vertaald) over heksensabbatten die nota bene met precies dezelfde theorie als die van Graves over de voorchristelijke aanbidding van een godin komt aanzetten (een van de hoofdstukken in zijn boek heet zelfs 'Following the Goddess'), maar rustig 'vergeet' Graves' naam, laat staan diens meesterwerk, te noemen. Puur jatwerk dus en, het ergste van alles, nog slecht geschreven ook. Ja, schrijven zoals Graves schrijft! Dit ongeremde enthousiasme, deze verdediging van literatuur, van poëzie, daar lever ik heel wat theoretisch verantwoorde beschouwingen over literatuur, wetenschap en maatschappij voor in.

Wie meer geïnteresseerd is in de biografie van schrijvers, koopt zich overigens bij Graves geen kat in de zak. Martin Seymour-Smith scheef een prachtige biografie (Robert Graves, His life and works, een jaar of vijf geleden nog in de ramsj bij Van Gennep in Amsterdam) met daarin hartverscheurende en eerlijk gezegd ook wel komische scènes. Graves belandde bijvoorbeeld toen hij een jaar of dertig was - ongetwijfeld mede onder invloed van enigszins overspannen ideeën over liefde en trouw die toen in hogere kringen fors aansloegen - met zijn eerste vrouw en zijn vriendin, de befaamde dichteres Laura Riding, en daar weer een vriendje van, als ik nog te volgen ben, in een pakkend beschreven 'ménage à quatre' die mij danig op de lachspieren werkte maar die in werkelijkheid nog net niet in moord en doodslag eindigde.

Verhalen heeft Graves niet veel geschreven, hij zocht het toch meer in het grote werk. Het waren meestal tussendoortjes, geschreven voor kranten of tijdschriften op momenten dat de hemelbestormende projecten - waaronder ook een 1000 pagina's dikke pil over het leven van Jezus, onder de titel The Nazarene Gospel Restored - even stillagen. Bovendien was er nog de poëzie. Graves publiceerde vele bundels, vaak liefdespoëzie, de oude bard raakte tot op hoge leeftijd buitengewoon snel en hevig verliefd en dat moest dan weer in verzen worden uitgedrukt. De biografie van Martin Seymour-Smith vertelt hier aanstekelijk over. De verhalen werden in 1978 in Engeland gebundeld en pas in 1987 in het Nederlands vertaald onder de titel De schreeuw en andere verhalen. De verhalen zijn in het algemeen sterk autobiografisch. Er is er bijvoorbeeld een bij met een herinnering aan zijn eerste schoolmeester, ook eentje die nog refereert aan Graves' trauma na de Eerste Wereldoorlog. Hij raakte gewond, werd langdurig verpleegd en had vele jaren last van mentale inzinkingen. Een heel stel van de verhalen speelt op Mallorca waar Graves het grootste deel van zijn leven woonde. Ze beschrijven belevenissen van de plaatselijke bevolking en zijn, vergeleken met zijn ander werk, eigenaardig licht en helder. Nu goed, deze verhalen vormen misschien niet zijn allerbeste werk, maar daarom hoeven ze nog niet in de ramsj te belanden. Wat krijgen we nu, bedenk dat hier de grote Graves aan het woord is, de Graves van Claudius, de Graves van de gedichten, de Graves van De Witte Godin die ook ik in het geheim hartstochtelijk aanbid. Laat dit voldoende aansporing zijn.