Een razende stotteraar; Krachtige taal in de poëzie van Stefan Hertmans

Stefan Hertmans: Francesco's paradox. Uitg. Meulenhoff/Kritak. 72 blz. Prijs ƒ 19,90.

Zo'n 2411 jaar geleden was Socrates met enkele vrienden te gast bij de dichter Agathon. Die had met een van zijn tragedies de eerste prijs gewonnen en om de overwinning te vieren de volgende dag zijn huis opengesteld: om er te eten, te drinken en gesprekken te voeren, over de liefde bijvoorbeeld. Het is na te lezen in Symposion van Plato, maar daarin krijgt men maar een eenzijdig beeld van de gebeurtenissen, als we Stefan Hertmans tenminste mogen geloven.Zijn reeks 'Het banket', in zijn nieuwste bundel Francesco's paradox, begint op het moment waarop de scherpte in het filososfische debat er een beetje af is. We zien Socrates 'turen in de wijn'. Aristofanes richt zich op om een boer te laten, maakt een geile opmerking en boert nog maar eens. Dat is het licht ontluisterende decor waarin Hertmans het Symposion laat uitmonden.

In de acht gedichten (al lijken ze meer op acht scènes uit een toneelstuk) blijft er niet veel over van de waardigheid van de filosoof en zijn meedenkers. Socrates voert een mooie jongen dronken door hem, heel erotisch, al kussend met wijn de mond te spoelen. Aristofanes krijgt weer eens de hik. En Agathon zelf wordt chagrijnig van het filosofische 'gemier' van Socrates: 'Kom nu Socrates, hou op / met dat gelul; zie je niet dat / je aanstellerij ons stierlijk gaat vervelen?' Waarna de discussie over identiteit en tweeëenheid in de liefde op een wat aanschouwelijker en humoristischer wijze wordt voortgezet. Agathon tovert een ei met twee dooiers te voorschijn. Het gezelschap buigt zich belangstellend over twee bleke efeben die ter plekke de liefde met elkaar bedrijven. En Agathon heeft diepe dronkemansgedachten bij twee druppels wijn die samenvloeien. Dronkenschap, daarmee eindigt deze boertige herschepping van het Symposion: Aristofanes pakt de wijnkruik en vraagt brullend wie er nog wat drinken wil.

Om verschillende redenen is deze reeks typerend voor de poëzie van Hertmans, al moet ik er meteen bij zeggen dat er over de dichter Hertmans niet al te veel gegeneraliseerd mag worden. Daarvoor is hij, na vijftien jaar en negen bundels dichten, nog teveel in ontwikkeling, ook letterlijk: de uiterst geconcentreerde, autonome poëzie die hij in zijn debuut schreef is zich nog steeds aan het ontwikkelen, aan het losmaken, in de richting van een opener, vertellender, vrijere poëzie. En voor het trekken van snelle conclusies is hij ook nog eens teveel modernist, dan wel postmodernist: helemaal niet van zins zich in vorm of opvatting vast te leggen of een persoonlijke kern te openbaren.

Maar toch, bij alle voorbehoud: zich baseren op bestaande bronnen, zoals in 'Het banket', doet hij graag. En vaak gaat het dan om literaire of andere kunstzinnige bronnen. Zo bestond zijn vorige bundel Muziek voor de overtocht (waarvoor hij binnenkort de driejaarlijkse poëzieprijs van de Vlaamse Gemeenschap zal ontvangen) uit ontmoetingen met het werk van Hindemith, Valéry, Cézanne, Nijinsky en Stevens. Hertmans houdt van projecten, intertekstuele of -culturele dialogen, meestal uitgewerkt in reeksen. Maar binnen deze, op het eerste gezicht wat intellectuele constructies, laat hij zich, net als in 'Het banket', graag gaan: in romantische bevlogenheid, in pathetische uithalen, maar ook wel in kluchtige taferelen. En verder heeft hij plezier in het spelen met genres en vormen, en met de grenzen van de poëzie.

De titelafdeling, 'Francesco's paradox', is een goed voorbeeld van spelen met de vorm. De veertien gedichten zijn volgens de klassieke sonnetstrofering in vier afdelingen geplaatst (4 + 4 + 3 + 3), aldus een saluut brengend aan de vader van het sonnet, Francesco Petrarca, aan wie deze afdeling gewijd is. Voor de inhoud kon Hertmans zich baseren op wat er over leven en werk van Petrarca bekend is - vooral over zijn liefde voor Laura. Met deze vormafspraak en met dit historische gegeven als houvast, schreef Hertmans een tamelijk duistere reeks die meen ik vooral drijft op de wanhoop van Francesco. 'Op verlaten plaatsen / loopt een stotteraar te razen / tegen stokken, bomen en heelal.' Keer op keer wordt hij bezocht door geile herinneringen, keer op keer probeert hij Laura uit de dood op te roepen, maar zijn pogingen blijken steeds vergeefs. 'Ik schreef een brief aan Hades, / en kreeg hem ongeopend weer.' De in de titel genoemde paradox wordt verder niet helder omschreven; hij zal wel schuilen in de omstandigheid dat Laura, juist door haar te benaderen, onbereikbaarder wordt.

Zowel in de Petrarca-reeks als in de daarop volgende afdeling (met twaalf gedichten over de maanden van het jaar) treft een stevige pathetiek. Ik houd er niet zo van, ook omdat ik vaak niet goed zie waar Hertmans met zijn krachtige taal op uit is. Hij heeft een voorkeur voor hevige woorden als vuur, brand, ijs en bloed, vooral als het om de liefde gaat. Grote effecten ook: 'ik heb haar ogen in mijn mond gestopt', 'je raakt bedolven onder namaaklijven van geronnen bloed'. En wel erg vaak is er de gemakkelijke tegenstelling tussen schoonheid en verval: 'boeket en schimmel', 'bloesems van rottend ingewand', 'een scherf gaat in een wonde zingen'. Echt luguber kan ik het niet vinden, want daarvoor is het gescherm met pus, kwijl, bloed en stront allemaal te moedwillig en te oppervlakkig. Maar er zal vast wel een theoretische 'verklaring' voor deze lichamelijke aandacht zijn. De (post)moderne dichter die in geen enkel concept of idee meer kan geloven moet het dan maar zoeken in het uiterst concrete van zijn en andermans 'aders', 'klieren' en 'spieren'.

Interessant, dat is Hertmans altijd wel. Maar overtuigend eerlijk gezegd maar zelden. Als dichter is hij een echte essayist, een probeerder die liever iets opzet dan afrondt. Hij is een dichter onderweg, die misschien ooit nog wel eens zijn eigen onderwerp vindt, maar voorlopig tevreden doorreist zonder het verlangen ooit ergens aan te komen. De titel van de laatste afdeling, met losse gedichten, vat ik dan ook maar symbolisch op: 'Wilde kiemen'. Die kunnen nog overal wortel schieten - of niet. De titel van het laatste gedicht van de bundel: 'Onderweg'.

VII

Fontein onder de bronnen

eiland van liefdeszorg

ommuurde stad waar ik me

voor Vasari's kunst verborg -

Gesloten dal, Vaucluse

valleitje van een klare schande

bosje waar sappen vloeien in de

bodem van verbeelding en gemis.

Pest woedt in Avignon

de tong van de redenaar kruipt

in haar slakkehuis terug.

Maar op verlaten plaatsen

loopt een stotteraar te razen

tegen stokken, bomen en heelal.

UIT: STEFAN HERTMANS, FRANCESCO'S PARADOX