Een castraat hongert ook naar macht; Helmut Krauser over een zoektocht naar de muziek van de Goden

Helmut Krausser: Melodieën. Vert. Ria van Hengel. Uitg. De Geus, 768 blz. Prijs (geb.): ƒ 79,90.

Orpheus, de mythische zanger uit Thrakië, moet zo'n mooie stem gehad hebben en zichzelf zo prachtig op de lier hebben begeleid dat wilde dieren, bomen, rotsen en zelfs de heersers van de onderwereld tot tranen toe werden bewogen. Met zijn betoverende muziek slaagde Orpheus erin zijn gestorven vrouw Eurydikè uit de Hades terug te halen - en dat gegeven inspireerde componisten en muziekminnende dichters tot het scheppen van een lange reeks kunstwerken waarin de overtuigingskracht van de muziek bezongen wordt.

Ook in de roman Melodieën van de jonge Duitse schrijver Helmut Krausser duikt Orpheus een paar keer op. De eerste keer in de gedaante van Castiglio, een Florentijnse alchimist uit de vroege zestiende eeuw. Castiglio, door een provincievorst in dienst genomen om onedele metalen in goud om te zetten, streeft heimelijk naar iets veel mooiers. Naar muziek is hij op zoek die mensen in benarde omstandigheden moet redden. In de klanken die vrouwen en mannen op de drempel van geboorte en dood produceren, in de kraam- en folterkamers, hoort hij de Vox Dei, de stem van God. En na ettelijke mislukte pogingen slaagt Castiglio erin deze stem te vangen in achttien magische Melodieën. Nog voordat hij het effect van de zonderlinge klanken op zijn medemensen heeft kunnen bestuderen komt de magiër om het leven, en via een kloosterling vallen de Melodieën in handen van de Kerk.

Op dit punt aangeland geeft Krausser zijn enigszins morbide maar toch nobele Orpheus-mythe een meer dan gruwelijke draai. De Thrakische zanger verandert nu in de castraat Pasqualini, bij mijn weten een fictieve figuur, die in 1631, precies een eeuw na Castiglio's dood, in Rome tot het koor van de paus toetreedt. En zo leert Pasqualini Allegri kennen. Vooral uit het Pasqualini-Allegri-verhaal blijkt dat Krausser niet alleen behendig gebruik maakt van de Griekse mythologie maar ook van legenden over componisten en hun muziek. In elke muziekencyclopedie kunnen we nalezen dat het Miserere van Gregorio Allegri (1582-1652) alleen in de Sixtijnse Kapel mocht worden uitgevoerd en dat de partituur door niemand gekopieerd mocht worden. Om het Miserere hangt een waas van geheimzinnigheid: volgens Krausser omdat de pauselijke componist Allegri er flarden van Castiglio's Melodieën in verwerkt zou hebben.

Tegen het perverse opportunisme van de clerus gaat Helmut Krausser op subtiele wijze tekeer. Aan de ene kant veracht de Kerk in deze roman de 'ketterse' afkomst van de Melodieën en is ze niet te beroerd om Castiglio's leerling Andrea levend te verbranden, aan de andere kant wil zij de Melodieën voor zichzelf houden om haar greep op het volk te versterken. Maar de niet bijster katholieke Pasqualini hongert óók naar macht. Hij begint een verhouding met de vieze oude Allegri en ontfutselt hem in bed alle achttien Melodieën. Tegelijkertijd bindt hij de strijd aan tegen de vrouwelijke sopranen, want die dreigen de castraten van hun troon te stoten.

Castraten zijn in de mode, we kennen ze uit Margriet de Moors roman De Virtuoos en uit de film Farinelli. Maar Krausser toont voor Pasqualini-met-zijn-gouden-stem geen greintje sympathie. Hoe kun je ook warme gevoelens opbrengen voor een eunuch die, onder het zingen van de Melodieën, in zijn kelder tot het rituele slachten van vrouwen overgaat... De moordenaar rechtvaardigt zijn daden als volgt: zijn het niet de Maenaden, die extatisch dansende wijven, die Orpheus hebben gedood? Zijn het niet de vrouwen die de muziek naar de verdoemenis helpen? De Melodieën, die redding hadden moeten brengen, ontvouwen hier in volle glorie hun vernietigende kracht. Zo gaat dat volgens een van de vertellers in het boek, een vrouw, met alles wat de mannen maken. Hoe groter hun scheppingsdrang, des te heftiger de agressie die zij in hun creaties stoppen. Scheppingsdrang en enthousiasme, woede, fanatisme en bezetenheid: al die drijfveren leiden in de ogen van deze vrouw tot niets goeds.

Eigenlijk omvat het bijna achthonderd bladzijden dikke Melodieën een heleboel dunnere boeken. Deze boeken, waarvan zelfs de lettertypes onderling dikwijls verschillen, bestaan uit brievenbundels, memoires en biografieën die Krausser zowel aan echte als aan fictieve historische personages toeschrijft, en verder uit net-echte onderzoeksrapporten, kronieken en rechtbankverslagen. Biografische feiten, zoals de door de zestiende-eeuwse edelman Carlo Gesualdo gepleegde moord op zijn vrouw en haar minnaar, worden onbekommerd vermengd met verzinsels: ook Gesualdo heeft in deze roman zijn componeertalent aan de Melodieën te danken, net als Da Palestrina en net als de vieze Allegri.

De 31-jarige Helmut Krausser, ooit een dakloze zwerver, werkt de laatste jaren erg hard; hij kent dat fanatisme van zijn personages wel. Het epos Melodieën, verschenen in 1993, ontstond in nog geen achttien maanden. In Nederland is Krausser, die in Duitsland al eerder enig opzien baarde met zijn Hagen-Trinker-Trilogie, nog een grote onbekende. Misschien komt daar nu snel verandering in. Het Nederlands van Melodieën-vertaalster Ria van Hengel is in elk geval vlekkeloos en even wendbaar als het Duits. Want alleen het woord wendbaarheid vat Kraussers stijl adequaat samen. Elke verteller in zijn epos heeft een geheel eigen stem, variërend van naïef en ongeletterd tot uiterst erudiet en doortrapt. Soms pronkt de auteur via deze geleerde types net iets te nadrukkelijk met zijn kennis; soms legt hij net iets te veel uit of glijdt de berichtgeving over de Melodieën-jagers net iets te ver af naar het genre van de vlotte speurdersroman. Het knappe is dat Melodieën tot het eind toe blijft boeien en dat je ook nog iets over de zestiende eeuw in Italië leert (waarbij het rooskleurige beeld van de hoge renaissance grondig wordt bijgesteld) en over de periode daarna, de barok.

Helemaal knap van Krausser is dat je gaat twijfelen aan al het menselijk streven, terwijl je tegelijkertijd jaloers bent op bezeten mannetjes als Castiglio en de walgelijke castraat Pasqualini. Zij worden, denk je tijdens het lezen, tenminste door iets gedreven, zij ontlopen de leegte die de gewone sterveling constant bedreigt. Met hun muziek kunnen ze de doden weliswaar niet uit de Hades terughalen, maar hun gepassioneerdheid lijkt op die van de zanger Orpheus met zijn onafscheidelijke lier.

    • Anneriek de Jong