Dieren- en mensenvlees

Granta, nr. 52: Food, the vital stuff. Met o.a. Graham Swift, J.M. Coetzee en John Lanchester. 256 blz. Prijs ƒ 29,40.

Een bekend middel om de gevolgen van de december-voedselovervloed te bestrijden is een volledige lijst maken van alles wat je tijdens de feestdagen hebt gegeten en gedronken. Lees zo'n lijst een paar keer over, laat de voedselbergen voor je geestesoog passeren en diëten vormen plotseling geen enkel probleem meer. Nog intrigerender, maar ook funester, is wat de Franse schrijver Georges Perec (1936-1982) in 1974 deed: minutieus hield hij in dat jaar een lijst bij van alle voedsel en drank die hij tot zich nam. In de nieuwe Granta, die 'Food' als thema heeft, wordt onder de titel 'Attempt at an Inventory of the Liquid and the Solid Foodstuffs Ingurgitated by Me in the Course of the Year Nineteen Hundred and Seventy-Four' over zes pagina's de Engelse vertaling van Perecs opsomming gepubliceerd. Die leest als een Barbarber-achtig prozastuk, een gedicht bijna, met prachtige, de verbeelding prikkelende opsommingen als: 'One kidney kebab, three kebabs, one mixed grill, one kidneys with mustard, one calves' kidneys, three têtes de veau, eleven calves livers, one calves' tongue, one calves' sweetbreads with pommes sarladaises, one terrine of calves' sweetbreads, one lambs' brains, two fresh goose livers with grapes, one confit of goose gizzards, two chicken livers.' Perec was geen visliefhebber en dronk in 1974 minstens 181 flessen wijn; volgens de redactie 'an ordinary enough consumption of wine'.

Hoewel het winter-nummer van Granta over eten in het algemeen wil gaan, worden in veel van de stukken morele kwesties aan de orde gesteld, met name over de consumptie van vlees. Zo gaat de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee, die tijdelijk als writer in residence is gestationeerd in Austin, Texas, op zoek naar de drijfveren van de vleesetende mens. Hoewel zelf vegetariër, stuit ook hij in zijn betoog al snel op het aloude probleem van de vleeseter: waarom eet die wel koe, kip en varken, maar veroordeelt hij de Chinees die berenpoten eet, en komt ook de Romeinse keizer Vitellius, die een maaltijd liet aanrichten waarin 1000 pauwenhersenen en 1000 flamingotongen waren verwerkt, op ons over als een barbaar? Volgens Coetzee is het meest gebruikte argument ten faveure van het vegetarisme dat koeien en varkens staan voor 'algemeen gebruik' - in tegenstelling tot beren en flamingo's. Maar ook met die redenering komt hij in de problemen: 'Het is een ding om te zeggen dat de mens van een hogere orde is dan het dier en een ander dat er onder dieren hogere en lagere ordes zijn. Maar wanneer we constateren dat alle dieren een gelijkwaardig recht op leven hebben, vinden we onszelf al snel in het gezelschap van de boeddhist die de weg voor hem veegt zodat hij niet op een mier zal trappen. Een onmogelijke situatie.'

Nog onmogelijker zijn de gevallen die worden beschreven in het artikel 'People eaters' van Joan Smith. Het artikel gaat - inderdaad - over kannibalisme en het rariteitenkabinet dat voorbij trekt stemt zowel tot afgrijzen als tot nadenken. Smith begint haar stuk met een tamelijk humoristisch groepje papoea's, bosjesmannen en Schotse slagersjongens van wie ooit is opgetekend dat ze mensenvlees aten. Dat levert zinnen op als: 'Een andere Peruaanse stam was zo happig op mensenvlees dat wanneer ze op plundertochten naar voedsel gingen, haar jagers de kuddes schapen lieten staan en de herders nog op het jachtterrein opaten.' Zo gaat Smith nog even door, met kannibalen op de Fiji-eilanden en de Dahomes op Nieuw-Guinea. Als haar menseters langzaam in het heden verschijnen, wordt het bijna beangstigend. Smith eindigt haar artikel met een beschouwing over Jeffrey Dahmer, de seriemoordenaar die in 1994 in de gevangenis werd vermoord door een mede-gevangene. Volgens de politierapporten zou Dahmer een serieuze kannibaal zijn geweest: zijn ijskast was, ten tijde van zijn arrestatie, gevuld met menselijke longen, levers en nieren - verder was er in zijn huis geen eten te vinden. Maar gelukkig vond men voor Dahmers gedrag een goed-twintigse eeuwse reden: volgens de politierapporten at the Milwaukee Cannibal mensenvlees omdat hij zich eenzaam voelde.

Naast deze bespiegelende en gruwelijke stukken bevat Granta een aantal vrolijke artikelen, bijvoorbeeld van Norman Lewis over voedsel als afrodisiacum en aanstekelijk proza van onder anderen Graham Swift, John Lanchester en Romesh Gunesekera. En het is weer hetzelfde als altijd met Granta: het ene stuk is nog mooier dan het andere.

    • Hans den Hartog Jager