De fouten van Greenpeace

ACTIEGROEPEN zouden zelf een gedragscode moeten opstellen, zodat voor de buitenwacht beter controleerbaar wordt of de informatie die ze verspreiden deugdelijk en aannemelijk is. Net als multinationale ondernemingen kunnen worden aangesproken als hun gedrag in strijd komt met de business principles die ze zelf hebben opgesteld, ontstaat zodoende een basis om ook internationaal georganiseerde actiegroepen ter verantwoording te roepen als ze over de schreef gaan.

Als gevolg van deze suggestie, dinsdag tijdens zijn nieuwjaarstoespraak voor het personeel gedaan, heeft president-directeur Jan Slechte van Shell-Nederland zich overladen met kritiek. Greenpeace staat eigenlijk niet afwijzend tegenover het idee van Slechte, maar voelt er toch niets voor omdat de organisatie door de publieke opinie en de media al voldoende gecontroleerd zou worden. DAT IS IN VEEL gevallen een sterk aanvechtbaar argument. Vooral internationaal georganiseerde actiegroepen als Greenpeace zijn in staat de publieke opinie sterk te beïnvloeden. Bij acties tegen de Franse atoomproeven in de Grote Oceaan, tegen het slachten van zeehonden of tegen het dumpen van een milieuvervuilend olieplatform in zee is dat geen enkel probleem. De spontaniteit van dat soort acties, waarbij de milieubeweging snel ageert en zich kwetsbaar opstelt tegenover gezaghebbers, wordt niet door een gedragscode beperkt.

Maar als informatie wordt verspreid zonder dat het publiek of de media direct in staat zijn na te gaan of deze juist is, is zo'n gedragscode heel nuttig. Organisaties voor het milieu en voor de rechten van de mens verplichten zich om open en verifieerbare bronnen te hanteren, of informatie uit eigen waarneming te openbaren. In geen enkel opzicht hoeft de code een muilkorf voor actiegroepen te betekenen.

Meer zorgvuldigheid kan wèl het gevolg zijn als actiegroepen zich onderwerpen aan een gedragscode die ze zelf in vrijheid kunnen opstellen, waardoor hun optreden overtuigender wordt. Aan de hand van drie recente acties van Greenpeace kan het nut van die grotere zorgvuldigheid worden aangetoond. Foute informatie die voor het publiek volstrekt niet te controleren is, werd door Greenpeace verstrekt over de kerncentrale Borssele, over de inhoud van het olieplatform Brent Spar en over Shells activiteiten in Nigeria. Het eerste is door minister Wijers weerlegd, het tweede door het bureau Det Norske Veritas, dat de Brent Star onderzocht, en het derde door de Wereldbank. JAN SLECHTE heeft met zijn toespraak nog eens aangetoond dat Shell een fors probleem met de publieke opinie heeft. Zijn suggestie heeft misschien iets wereldvreemds, maar is ook niet helemaal met hoongelach te pareren. Het veelgehoorde simpele advies dat Shell actiegroepen desnoods maar voor de rechter moet dagen, is nogal naïef. Als het daarop aankomt is onverdiende schade allang geleden. En een rechter zal, als hij daartoe al in staat is, veel tijd nodig hebben om te verifiëren of een actiegroep zich baseert op juiste informatie. Hoe moet een rechter uitmaken of het waar is dat Shell mede verantwoordelijk zou zijn voor het doodvonnis van de Nigeriaanse schrijver Ken Saro-Wiwa en acht medestanders, zoals Greenpeace op 31 oktober vorig jaar beweerde?