Beursdirecteur pleit voor einde aan zelfregulering

AMSTERDAM, 5 JAN. De zelfregulering van de Nederlandse beurzen is niet meer van deze tijd. De normstellende en controlerende functie van de effectenbeurs en de optiebeurs valt niet te rijmen met een zakelijke en klantgerichte opstelling tegenover van de belegger.

Dat vindt scheidend directeur van de optiebeurs J. Kuiper. Hij wierp gisteren in zijn nieuwjaarstoespraak de vraag op “of de veranderde positie van de beurzen in de effectenmarkt nog wel de juiste basis vormt voor een specifieke rol van de beurzen bij het vaststellen van kwaliteitsnormen voor de markt en zijn spelers.”

Kuiper loopt met zijn uitspraken veel harder van stapel dan effectenbeursvoorzitter Van Ittersum. Die stelde op zijn nieuwjaarsrede twee dagen eerder dat “de waardevolle functie van de zelfregulerende en zelfcorrigerende markt behouden blijft”. Van Ittersum erkende wel dat zelfregulering voor de effectenbeurs “geen doel op zich” mag zijn. Hij wil met Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE) “afspraken maken over de manier waarop het externe toezicht gecontinueerd kan worden”. De STE houdt namens het ministerie van financiën toezicht op de beurs.

G. Möller, vanaf 1 maart de nieuwe directeur van de optiebeurs, wilde gisteren geen uitspraak doen over de zelfregulering van de beurs. Moller maakte wel duidelijk dat hij zijn nieuwe functie heeft aanvaard, omdat hij wordt aangesteld als president-directeur van de nieuwe holding waarin de effectenbeurs en de optiebeurs mogelijk nog dit jaar samengaan. “Voordat je een baan aanneemt kijk je wat die in de toekomst gaat inhouden”, aldus Möller.

Hij verwacht dat Amsterdam zich zal kunnen handhaven als belangrijkste markt voor Nederlandse aandelen. “De vraag is alleen: blijven we thuismarkt, of wordt het meer”, meent hij. Volgens Moller, afkomstig van de Britse vestiging van MeesPierson, kan de Amsterdamse effectenhandel door de aankomendefusie een concurrentievoordeel behalen ten opzichte van Londen. “In Engeland wankelt de aandelenbeurs”, constateerde Moller gisteren, enkele uren voordat directeur Michael Lawrence van de Londense beurs gesommeerd werd op te stappen.

Volgens Möller zijn de activiteiten in de City te gefragmenteerd. “Door het samengaan van de beurzen zijn wij in staat opties, derivaten en aandelen dicht bij elkaar te brengen. We creëren daarmee een competitive edge”, meent Moller.

Hij verwacht dat de “verscheuring door belangentegenstellingen”, zoals die in Londen is ontstaan in de nieuwe organisatiestructuur voor de beurzen in Amsterdam vermeden kan worden. Evenals huidig directeur Kuiper is hij van mening dat de macht in de toekomst verder moet worden verschoven van beursleden naar beursbestuurders.

De netto winst van de optiebeurs bleef in het afgelopen jaar bij een sterk stijgende omzet (plus 23 procent) ongeveer gelijk. Ook de stijging van het bruto-inkomen van de optiebeurs ligt niet in lijn met de groei van de omzet. Volgens Kuiper is de bruto winstgroei beperkt, omdat de optiebeurs zich in toenemende mate richt op de professionele handel.

Het aandeel van professionele beleggers in de omzet van de optiebeurs nam in 1994 toe tot 40 procent. De stagnering van de netto winst wijt Kuiper aan de kosten van de invoering van het nieuwe automatische handelssysteem Switch, een operatie waarbij 60 tot 70 banen verloren gaan. Kuiper waarschuwde gisteren dat de fusie tussen de beurzen niet geforceerd moet worden. Hij vindt dat de optiebeurs het al druk genoeg heeft met de invoering van Switch.