Al wat mannelijk is keur ik van ganser harte goed; Twee vertalingen van de Oresteia van Aischylos

In de Oresteia van Aischylos is de taal, en daarmee het koor, de hoofdpersoon. “Die angsthazen van het koor, die mompelaars die liefst onopvallend thuis blijven, die nieuwsgierige praatjesmakers - wie zijn dat als wij dat niet zijn?” Onlangs verschenen twee prachtige vertalingen van Aischylos' werk.

Aischylos: Oresteia. Vert. M. d'Hane-Scheltema. Uitg. Athenaeum - Polak & Van Gennep. Prijs ƒ 49,90 Aischylos: Het verhaal van Orestes. Vert. Gerard Koolschijn. Uitg. Athenaeum - Polak & Van Gennep. Prijs ƒ 49,90

Het eigenaardige van de Oresteia of Het verhaal van Orestes van Aischylos (±525-456 v.Chr.) is dat er eigenlijk geen hoofdpersoon is. Natuurlijk is die er wel, Orestes immers. Maar hij lijkt vooral een pion van de nieuwe, jonge goden, van Apollo en Athene en Zeus die de zaken eens anders willen regelen dan ze tot nu toe geregeld werden, die het oeroude en onbetwijfelbare bewind van de wraakgodinnen en de daarbij behorende ideeën van wat juist is en wat niet, nu eens willen breken. Orestes is degene aan wie zich dat alles voltrekt, degene die geen kant op kan omdat hij gevangen zit tussen twee morele geboden: hij moet op last van Apollo zijn vader wreken en wordt bedreigd met de ergste verschrikkingen als hij dat niet doet. Maar om zijn vader te wreken moet hij zijn moeder doden en dat mag niet - de wraakgodinnen beloven hem levend leeg te zuigen en mee te slepen naar 'waar men nergens vreugde kent'.

Waarom lijkt Orestes dan geen hoofdpersoon? Misschien omdat hij zo weinig op het toneel is. In het eerste, en mooiste, deel van de trilogie is hij in het buitenland, pas op het allerlaatst valt zijn naam als het volk zich afvraagt of hij nog leeft: 'zodat hij met gods hulp hier terug kan keren als de machtige moordenaar van die twee' (die twee zijn zijn moeder Klytaimnestra en haar minnaar Aigisthos die zojuist Agamemnon vermoord hebben). In het tweede deel is Orestes wel hoofdpersoon, daar doet hij wat hij moet doen en daar komt ook het onmogelijke van zijn lot duidelijk aan het licht. Want hoe duur de plicht van het wreken van zijn lafhartig omgebrachte vader ook is, op het moment dat hij met zijn zwaard tegenover zijn moeder staat en zij roept 'Stop, jongen. Ontzie deze borst, m'n kind', aarzelt hij - daar wordt hij voor het eerst tragisch. En voor het eerst menselijk. En misschien toch wel hoofdpersoon. Hij wendt zich tot zijn makker en vraagt: 'Pylades, wat moet ik doen?' Die antwoordt: 'Beter iedereen als vijand dan een god', en bezegelt daarmee Klytaimnestra's lot. En dat van Orestes, die nu levend het vagevuur ingejaagd wordt: hij heeft gedaan wat niet gedaan mocht worden maar toch niet anders kon. In het derde deel ten slotte is Orestes er wel even, maar nadat de rechtszaak gunstig voor hem is uitgepakt, is hij meteen weg terwijl het stuk nog een poos doorgaat. Het belangrijkste in dit gedeelte is de verzoening tussen de oude en de nieuwe goden. Athene kalmeert de wraakgodinnen en verandert ze in goede geesten die haar stad welgezind zullen zijn. Daar heeft Orestes verder niets mee te maken.

Beledigde mannetjes

In de hele trilogie is Klytaimnestra minstens zo belangrijk als Orestes en in ieder geval is ze zijn sterkste tegenhanger. Ze vertegenwoordigt de vrouwelijke kant van de zaak, de kant die, met het buiten gevecht stellen van de wraakgodinnen, het onderspit delft. Want voor wie wil is de Oresteia ook zeker een verhaal van de machtstrijd tussen mannen en vrouwen, een verhaal over totaal verschillende belangen. Die kant ervan is bij voorbeeld door de Duitse schrijver Gustav Ernst sterk naar voren gehaald in zijn toneelstuk Bloedbad. Daar krijgt Klytaimnestra eens royaal de kans om haar grieven te spuien en die hele Trojaanse oorlog (door de Grieken begonnen om de Griekse Helena terug te halen die er met de Trojaan Paris vandoor was) tot een belachelijke expeditie van beledigde mannetjes te maken: 'vanwege de eer van mannen vanwege dat stompzinnige lulletje van jullie mannen.' De strijd gaat bij Ernst tussen de binnenwereld van de vrouwen, die hun bloed vergieten om te baren, om leven te schenken, en de buitenwereld van de mannen, die het bloed van anderen vergieten om leven te verwoesten. Zo sterk worden die twee bij Aischylos niet tegenover elkaar gezet, maar een groot voorstander van oorlog en bloeddorst is hij zeker niet. Wel krijgt Helena bij hem gewoon de schuld: 'vanwege een manzieke vrouw'.

De personages in deze trilogie zijn in de eerste plaats een standpunt (de tijd van ronde psychologische karakters was in de vijfde eeuw voor Christus nog niet aangebroken) - en vooral is ook de één nog onaangenamer dan de ander, wat het misschien nog moeilijker maakt om in een speciale hoofdpersoon te geloven. Hoewel Orestes eigenlijk niet onaangenaam is. Die is bijna niets, een tragische leegte. Maar de vader die zo per se gewroken moet worden, de grote legeraanvoerder Agamemnon, is wel een van de vreselijkste personages uit de literatuur van de oudheid. Als het niet zo was dat het niet aangaat om te oordelen over papieren mannen, zou ik willen zeggen dat ik Agamemnon een onuitstaanbare, bloeddorstige, zelfingenomen ellendeling vind, in welk verhaal hij ook optreedt, of het nu in de Ilias is of in een van de tragedies van Euripides - altijd snoeven, altijd moorden, altijd dol op zichzelf en verder op niemand. En als ik dan toch bezig was zou ik, met minder geestdrift maar toch, moeten toegeven dat ik Klytaimnestra een ijskoud, liefdeloos kreng vind - al is zij dat niet altijd en overal: in Euripides' Ifigeneia is ze een tragische moeder. En omdat Klytaimnestra de moord op haar dochter heeft moeten verdragen is haar veel te vergeven.

Maar voor we bij het tragische lot van Ifigeneia aankomen - een prachtige, ingehouden hartverscheurende passage in het eerste deel - eerst misschien maar iets over de ware hoofdpersoon van deze trilogie: de taal. Die taal is nu in twee tegelijk verschenen versies te lezen: in de vertaling van M. d'Hane Scheltema, die eerder onder andere van Ovidius' Metamorfosen veelgeprezen Nederlands maakte. En in die van Gerard Koolschijn, die bijvoorbeeld Plato zo levendig vertaalde dat hij gemakkelijk als een hedendaagse schrijver opgevat kon worden.

Zwanen

De hoofdpersoon is dan bovendien vooral: de koorzang. Dit moet een hachelijke uitspraak zijn want, zo schrijft Gerard Koolschijn in de inleiding tot zijn vertaling, het is vaak onduidelijk wat Aischylos heeft geschreven omdat de Griekse tekst vol onduidelijkheden is overgeleverd en 'die onzekerheid neemt groteske vormen aan in de koorliederen'. Hij gaat zelfs nog een stapje verder: 'Het is niet uitgesloten dat Zeven kraaien worstelden met de noordenwind na honderden jaren nauwgezette filologie uiteindelijk Zes zwanen gleden statig door het water is geworden.' Toch, onzeker of niet, in de koorzangen wordt onthuld hoe sommige dingen in het verleden gelopen zijn; er wordt hardop nagedacht over het menselijke en het goddelijke, over wenselijk gedrag en over het onontkoombaar noodlottige van het lot. Daar leest men regels als:

Alles gaat zoals het moet, alles eindigt zoals het beschikt is. geen offergeschenken, geen vlammen, geen smekende tranen vermurwen de koppige onwil van koude altaren. Daar ook over Zeus, over het verlangen naar toevlucht voor de mens die aan de bewegingen van het noodlot onderhevig is: Zeus, wie hij ook is, als het hem behaagt zo te heten noem ik hem zo. Niets vergelijkbaars weet ik te vinden als ik alles afweeg, niets dan Zeus, wanneer ik de zinloze last echt uit mijn geest wil verdrijven. Of deze bewoordingen ergens in de tekst staan is dus de vraag als we Koolschijn mogen geloven. Maar aanwijzingen voor ongeveer deze regels moeten toch wel te vinden zijn, zoals we kunnen zien als we de twee vertalingen naast elkaar leggen. De eerste hierboven geciteerde regels ('Alles gaat zoals het moet') komen uit de Oresteia, de vertaling van D'Hane-Scheltema, het tweede citaat uit Koolschijns vertaling Het verhaal van Orestes.

Om een indruk te geven van de verschillen in toon, en omdat het zulke mooie regels zijn, citeer ik het Zeus-fragment ook in de vertaling van D'Hane-Scheltema:

Zeus! Wie Zeus ook is. Want als hij Zeus het liefst genoemd wil zijn roep ik hem bij deze naam, en ik ken geen andere klank, als ik alles overdenk - Zeus alleen. Hem roep ik aan, als ik mij bevrijden wil van een overlast aan zorgen. D'Hane-Scheltema heeft geprobeerd zoveel mogelijk de versvoeten van het Grieks te benaderen, Koolschijn schrijft op de van hem bekende, besliste wijze: 'Navolging van de oorspronkelijke metra is dus weinig zinvol.' Deze twee vertalingen zijn twee verschillende werelden. In de ene wereld is zo inzichtelijk mogelijk, mooi, vakkundig vertaald door een classica die er niet voor terugschrikt om een inversietje toe te passen “want als hij Zeus het liefst genoemd wil zijn” en dat heeft een goede, je zou bijna zeggen aangenaam ouderwetse, klassieke tekst opgeleverd. De vertaling van Koolschijn is van een heel andere orde: schitterend, helderklinkend, aandacht vragend. Het is de vertaling van een schrijver, van een dichter soms: 'Niets vergelijkbaars (-) niets dan Zeus (-)'. Koolschijn heeft het, als wel vaker, aangedurfd om eigen, levende taal te maken van de oude Griekse woorden. Dat kan men al te brutaal vinden. Men kan er ook onherroepelijk voor door de knieën gaan.

Onnozelaars

De koorzang in de hoofdrol, dat betekent ook: het commentaar, het koor in de hoofdrol. En voor wie de tekst nu leest, en waarschijnlijk gold dat trouwens voor het publiek van destijds ook, betekent dat bijna: de lezer of toeschouwer in de hoofdrol. Want die angsthazen van het koor, die klagers en zuchters, die ongelovige Thomassen, die onnozelaars die niet durven of willen of kunnen begrijpen wat zich voor hun ogen afspeelt, die mompelaars die liefst onopvallend thuis blijven en heldendaden en bloedvergieten wel graag aan anderen overlaten, die nieuwsgierige praatjesmakers die soms toch ook heel flink en trouw kunnen zijn, die verlangers die vooral verduren en nauwelijks ingrijpen - wie zijn dat als wij dat niet zijn?

Het koor is een ontroerende en fascinerende instelling in Griekse tragedies. Hier, in de Oresteia zijn de koren steeds een duidelijke groep met een duidelijke mening. Eerst oude mannen die niet mee naar Troje zijn geweest ('waardeloos door ons oude vlees') en die het gedrag van Klytaimnestra en haar nieuwe minnaar afkeuren, zonder dat ze daarmee alles goedkeuren wat Agamemnon heeft gedaan. In het tweede stuk bestaat het koor uit vrouwen die op bevel van Klytaimnestra bij het graf van Agamemnon komen offeren. Ook dit koor is niet op de hand van Klytaimnestra, in tegendeel, ze stellen zich als één man achter haar zoon en moordenaar Orestes op. In het derde stuk ten slotte is het koor geen toeschouwer meer maar partij, het bestaat uit 'die walgelijke maagden': de wraakgodinnen, wèl partijtrekkend voor Klytaimnestra, die zich langzaam ('Stel dat ik ja heb gezegd, welke eer wacht mij dan?') laten overhalen om goede geesten te worden en hun wraak te laten zitten.

Het is ook het koor dat de voorgeschiedenis vertelt, hoe Helena 'het onduldbare durvend' met Paris naar Troje ging; hoe dat eerst voor Troje iets prettigs leek, 'een zachte pijl in het oog, een hartbrekende bloem van begeerte' maar allengs een ramp bleek. En het is ook het koor dat de oergebeurtenis van deze tragedie vertelt, de daad waarmee Agamemnon zich de onverzoenlijke haat van zijn vrouw op de hals haalde: het offer van Ifigeneia.

Ziener

Latere commentatoren hebben wel geprobeerd om van deze dochtermoord een even tragische want onmogelijke keuze te maken als van Orestes' moedermoord. Agamemnon moest op last van Artemis, althans zo legde een ziener bepaalde tekens uit, zijn dochter Ifigeneia offeren, anders zou de Griekse vloot niet uit kunnen varen naar Troje - het hele leger zat al een tijdlang met ongustige wind vast in Aulis. Dus Agamemnon moest, net als later Orestes, kiezen tussen twee kwaden: zijn dochter offeren, wat niet kan en niet mag, of van de oorlog afzien, wat niet kon en niet mocht. Maar het is moeilijker om in die onmogelijheid te geloven. Ten eerste omdat het bevel van Artemis zo onzinnig is, wat kan de noodzaak zijn van het offeren van een jong meisje? En ten tweede omdat wind, zoals iedereen weet, nooit eeuwig uit dezelfde hoek waait. En dan zwijgen we nog over de oorlog - 'de slachting om andermans vrouw'.

Orestes' dilemma is veel moeilijker, hij handelde niet alleen vanwege de bedreigingen van Apollo, hij wilde ook zelf zijn vader wreken: 'ik [moet] de daad wel verrichten, want allerlei verlangens komen op hetzelfde neer, de opdrachten van de god, het grote verdriet om mijn vader, en daarbij ook het gemis van mijn bezit dat op mij drukt.' En hij wist heel goed dat hij zijn moeder niet mocht doden en dat hij haar wraak niet zou kunnen ontgaan.

Agamemnon vreest eigenlijk niets, die doet maar wat. Zo zegt het koor het tenminste, dat gelooft ook niet zo erg in de goddelijke noodzaak van deze daad, meer in gruwelijke waanzin, misschien zelfs in zinneloze bloeddorst van zich vervelende soldaten 'voorspel bij het feest van de vloot'. En dan komt dat hemeltergende verhaal van het offeren van een kind 'als een geit'. Daar is Koolschijn schitterend op dreef: 'En het smeken en roepen van 'vader', het meisjesleven woog niets voor de oorlogszuchtige leiders.' Het koor verteld hoe het kind de mond wordt gesnoerd opdat ze geen vervloekingen zal kunnen uitspreken, maar hoe aan haar ogen te zien was hoe graag ze iets had willen zeggen en hoe de offeraars zich haar stem wel moeten herinneren: 'want zij had zo vaak in haar vaders zaal bij rijkgedekte tafels gezongen.' Het is ook het koor te veel: 'Ik zag niet en zeg niet wat daarna gebeurde.'

Om deze dochtermoord vermoordt Klytaimnestra haar man en wordt zij op haar beurt vermoord door haar zoon. De wraakgodinnen vinden dat een zoon zijn moeder niet mag doden. Maar dan komen Apollo en Athene die het bloed van de vrouwen niet langer willen wreken. Apollo beweert doodleuk dat moeders niet zo belangrijk zijn als vaders: 'Hij die bespringt verwekt. En zíj bewaart de jonge loot als gastvrouw.' En Athene, zelf zonder moeder geboren geeft bij stakende stemmen de doorslag: 'Al wat mannelijk is keur ik (-) van ganser harte goed.'

Zo gaat, in zekere zin, Agamemnon alsnog vrij uit. Gelukkig is hij al door zijn vrouw doodgeslagen - een goede tragedie wekt bij de lezers ook bloeddorst op. Maar nu is het vrede en dalen wij begeleid door fakkels met het eens zo wraaklustige koor zoet zingend af ('Laat het stof niet het donkere bloed van burgers drinken') naar een onderaardse ruimte van waaruit de getemde godinnen aan een stuk door de stad Athene zullen begunstigen. Dit is een positief einde, dat is zo duidelijk als wat. Jammer alleen dat die mannen zoveel gelijk krijgen.

    • Marjoleine de Vos