Reuzengloedwolken op Noordeiland van Nieuw-Zeeland

Tijdens sommige vulkanische uitbarstingen ontstaan gloedlawines die met grote snelheden langs de vulkaanhelling omlaag komen. Zij bestaan uit massa's van gesteente- en mineraalfragmenten (pyroclastica), die min of meer 'drijven' in mengsels van hete vulkanische gassen en daardoor tot op grote afstanden van de vulkaan hun allesvernietigende werk kunnen verrichten. Bij erupties in historische tijden hebben vulkanologen afstanden tot ongeveer 35 kilometer gevonden, maar uit onderzoek aan de sporen van prehistorische erupties volgen afstanden tot ruim 150 kilometer.

Het stollingsgesteente dat na het tot rust komen en afkoelen van een gloedlawine ontstaat, noemt men ignimbriet of smeltturf. Uit de uitgebreidheid van zulke gesteenten van éénzelfde ouderdom, dus van dezelfde eruptie, kunnen geologen afleiden tot hoe ver de gloedlawines van zo'n eruptie zijn gekomen. Helaas zijn de meest uitgebreide ignimbrieten vaak sterk verweerd, of liggen zij verstopt onder andere gesteenten, zodat men alleen minimale afstanden kan aangeven. In Nieuw-Zeeland is nu een nieuwe, spectaculaire recordhouder ontdekt.

Geologen van onder andere het Wairakei Onderzoekscentrum in Taupo hebben op het Noordeiland ignimbrieten bestudeerd die zijn ontstaan na een enorme eruptie in het ook nu nog vulkanisch actieve gebied rondom het grote Taupomeer. Deze eruptie vond een miljoen jaar geleden plaats, toen dit gebied het vulkanisch meest actieve gebied op aarde was. Het zogeheten Kidnappers-ignimbriet (genoemd naar een kaap aan de oostkust) is door de onderzoekers gevonden op plaatsen die tot op minstens 385 kilometer van elkaar vandaan liggen. Dit betekent dat het grootste deel van het Noordeiland ooit door de gloedlawines van deze ene eruptie werd geteisterd (Nature 378, p. 605).

Hoe komt het dat de gloedlawines hier zulke grote afstanden konden afleggen? De onderzoekers denken dat er hier een combinatie van factoren in het spel is geweest. Tijdens de eruptie moeten grote hoeveelheden materiaal in een constant, hoog tempo uit één kraterpijp zijn gestoten, waardoor de voorste grenzen van de lawines constant in beweging werden gehouden. Verder bevonden zich eertijds in dit gebied weinig hoge obstakels en werd de mobiliteit van de lawines nog vergroot door 'kussens' van stoom die zich steeds aan het door de gloedlawine verhitte oppervlak vormden.

    • George Beekman