Oneigenlijke grijze eminenties

Eerlijk gezegd had ik de strijd tegen de valse éminence grise al bijna opgegeven en mij neergelegd tegen de kennelijk onweerstaanbare opkomst van het verkeerde gebruik van die term. Maar nu las ik in Vrij Nederland van 16 december een bijdrage van Rudie Kagie waarin de schrijver het toch echt te bont maakt. Het stuk gaat over een schilderij met de afbeeldingen van zestien heren. Deze groep wordt aangeduid als “de herenclub” en omschreven als “een informeel gezelschap van wijze mannen”. Over dit gezelschap wordt vervolgens opgemerkt: “De geportretteerde nieuwe patriciërs behoren bijna allemaal tot wat onderhand tot de nationale éminence grise van de kunst, wetenschap, letteren en politiek wordt gerekend.”

Nu heb ik in Marcel van Dam - één van de geportretteerden - nooit een patriciër gezien, zelfs geen nieuwe, en in de meeste anderen ook niet, maar daar gaat het hier niet om. Het gaat om de woorden die daarop volgen. Hoe kunnen zestien heren nu samen tot één éminence grise behoren? En waarom zou men mensen als Brugsma, Hofland en Mulisch - om slechts een paar namen te noemen -, die gaarne werken in het volle licht van de publiciteit, ja dit licht als het hen niet beschijnt, veelal met verve zoeken, aanduiden als éminences grises? Deze term wordt immers gebruikt voor een vertrouweling die achter de schermen en dus in het duister zijn invloed uitoefent. De schrijver weet kennelijk niet wat de uitdrukking betekent en hij is daarin niet de enige. Er is, althans in Nederland, de laatste jaren een gewoonte ontstaan om de term op een verkeerde manier te gebruiken, namelijk als equivalent voor 'doyen' of nestor of 'grand old man'. Ik heb hier al bijna tien jaar geleden in deze krant een stukje tegen geschreven, maar zonder resultaat. De ontwikkeling is kennelijk niet meer te stuiten. De gedachtengang die er achter zit, is ook niet geheel onbegrijpelijk. Het woord grijs wekt immers associaties op met ouderdom en eminent met uitstekend. Maar de term 'grijze eminentie' heeft met ouderdom en uitstekendheid niets te maken. Hij dankt zijn ontstaan aan iets heel anders.

Eminentie was en is de aanspreektitel van een kardinaal. Een van de bekendste kardinalen uit de geschiedenis is kardinaal Richelieu. Deze leefde van 1585 tot 1642 en was niet alleen kardinaal maar ook hertog. Zijn belangstelling ging meer uit naar de politiek dan naar de godsdienst. Van 1624 tot 1642 had hij de onbetwiste leiding over de Franse staatkunde. Zijn grote passie was de diplomatie en één van zijn belangrijkste diplomatieke adviseurs was François le Clerc du Tremblay. Dat was ook al een geestelijke, in dit geval een kapucijner monnik, die de kloosternaam Père Joseph droeg. Hij was de biechtvader van Richelieu en had grote invloed op diens politiek. Zijn invloed was bijna even groot als die van Richelieu zelf, maar omdat Père Joseph, in tegenstelling tot de kardinaal, geen rode robe maar een grijze pij droeg, kreeg hij de bijnaam van 'grijze eminentie'. Deze uitdrukking groeide later uit tot een algemene term voor politieke adviseurs die achter de schermen invloed uitoefenen.

In buitenlandse woordenboeken zal men de term dan ook steeds op deze manier omschreven zien. “Conseiller intime qui manoeuvre dans l'ombre”, zegt de Larousse en Webster geeft: “confidential agent (...) exercising unsuspected power”. Duden zegt erover: “einflussreiche (...) Persönlichkeit die als solche nach aussen kaum in Erscheinung tritt”. Steeds wordt hierbij verwezen naar Père Joseph. In onze eigen grote Van Dale staat dit ook, maar in de laatste editie vinden wij nog een tweede betekenis van éminence grise, namelijk die van “oudere man die als onbetwiste leider op een gebied wordt beschouwd”. Hierbij wordt aangetekend dat dit woordgebruik “eigenlijk onjuist” is.

De eminente lexicograaf die voor deze beschrijving verantwoordelijk is, heeft kennelijk naar een compromis gestreefd. Hij wil enerzijds volledig zijn door ook onjuiste, maar nu eenmaal vaak voorkomende, vormen van woordgebruik op te nemen, anderzijds normatief door deze aan te duiden als 'eigenlijk onjuist'. Het probleem dat dan rijst is wat 'eigenlijk' eigenlijk betekent. Van Dale zegt hier onder andere over: “letterlijk, niet figuurlijk: de eigenlijke betekenis van een woord”. Dat helpt ons niet veel verder, want de eigenlijke betekenis van grijze eminentie is dit nu juist niet.

Het probleem van de woordenboekenmaker is duidelijk. De taal is een levend iets en het woordgebruik verandert steeds. Het woordenboek moet zich hieraan aanpassen. Maar hoe ver moet men hierin gaan? Je leest tegenwoordig vaak zinnen als “Lubbers (of Brinkman of Ajax of Feyenoord) had zijn nederlaag te danken aan”. Dat lijkt mij een dwaze manier van spreken, maar iets waar een woordenboek niet veel aan kan doen. Of moet het hierover zeggen: “te danken aan = te wijten aan (eigenlijk onjuist)”? Ook hoor je wel eens voetbaltrainers die het hebben over “de grote coniferen van de club” en over spelers die “een groot kapittel in het geheel hebben”. Die begrippen zie ik nog niet zo gauw in Van Dale komen, ook niet als 'eigenlijk onjuist'. Maar hoe zit het met een vergelijkbaar probleem als de onbevlekte ontvangenis van Maria? De mensheid kan, om met Julius Caesar en Karel van het Reve te spreken, worden verdeeld in drie groepen: zij die denken dat de onbevlekte ontvangenis van Maria hetzelfde is als de maagdelijke geboorte van Christus; zij die weten dat deze term het dogma van de katholieke kerk aanduidt dat leert dat Maria zonder erfzonde is geboren; zij die helemaal nooit van de onbevlekte ontvangenis hebben gehoord.

Ongetwijfeld is de laatste groep de grootste, maar deze mensen zullen de term ook niet gebruiken en scheppen voor de lexicograaf dus geen probleem. Even ongetwijfeld echter gelooft de overgrote meerderheid van degenen die het begrip wel kennen dat hiermee de maagdelijke geboorte bedoeld wordt. Wat moet de woordenboekmaker nu doen? Volgens dezelfde logica zou ook deze betekenis als 'eigenlijk onjuist' moeten worden opgenomen. Toch lijkt mij dit geen goed idee.

Ik had, zoals gezegd, de strijd tegen de valse grijze eminentie eigenlijk al opgegeven. Het is een achterhoedegevecht, ik besef het. Maar zoals Vondel, meen ik, geschreven heeft:

“De krijgsman wint al veel, al wint hij niet dan tijd.”