Natuurlijk bedrijft de Eerste Kamer óók politiek

De voorzitter van de Tweede Kamer, Deetman, vergist zich wanneer hij de Eerste Kamer kapittelt over het feit dat zij politiek zou bedrijven. Datzelfde geldt voor het hoofdartikel in NRC Handelsblad van 20 december. Algemeen wordt als uitgangspunt genomen dat de Eerste Kamer de wetsvoorstellen dient te toetsen aan criteria van rechtsstatelijkheid, zoals rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Indien de Eerste Kamer (in meerderheid) tot de conclusie komt dat een wetsvoorstel in belangrijke mate de toets van deze kritiek niet kan doorstaan, dient zij tegen te stemmen.

Daarmee is echter het laatste woord niet gesproken. Het zal veelal gaan om voorstellen die door het kabinet van wezenlijk belang voor zijn voortbestaan worden geoordeeld, waarover tijdens de kabinetsformatie lang is onderhandeld en die, soms zelfs gedetailleerd, zijn opgenomen in een regeerakkoord. De Tweede Kamer, die het politieke primaat heeft en waarin de regeringspartijen gebonden zijn aan het regeerakkoord, heeft het wetsvoorstel aanvaard. Verwerping door de Eerste Kamer zal in die gevallen als een inbreuk op het politieke primaat van de Tweede Kamer worden gezien.

Het kabinet zal het in die gevallen ook niet tot verwerping laten komen, door - bedekt of openlijk - de kabinetskwestie te stellen. Met de Harmonisatiewet (Deetman herinnert zich die misschien nog wel) en tijdens het derde kabinet-Lubbers hebben wij gezien hoe dat werkt: de Eerste Kamer zwicht en bereikt niets. Wellicht wel op termijn. Dat was niet het geval met de Harmonisatiewet en ook niet met het reiskostenforfait, misschien wel bij de uiteindelijke stranding van het plan-Simons.

Tijdens de algemene politieke beschouwingen op 14 november jongstleden heb ik, met het vorenstaande voor ogen, de kwalitatieve toetsing te mager genoemd. Met erkenning van het belang van een regeerakkoord en van het politieke primaat van de Tweede Kamer, draagt ook de Eerste Kamer een politieke verantwoordelijkheid. Bij het regeerakkoord zijn Eerste-Kamerfracties of -leden geen partij. Ik heb in een interview eens gesproken over een morele binding aan dat akkoord. Maar bij nadere overweging leidt een morele binding niet tot een duidelijk resultaat. Tegen de Algemene Nabestaandenwet bestonden veel bezwaren. Een aantal daarvan had een sterke morele lading. Dwingt de moraal nu tot tegen stemmen of tot eerbiediging van het regeerakkoord? Ik neig tot het eerste, maar dan was het stellen van de kabinetskwestie voorspelbaar en ook het effect dat dat zou hebben.

Verdient het dan niet verre de voorkeur dat Eerste-Kamerfracties op wier steun de regering uiteindelijk hoopt te kunnen rekenen, hun kritiek zodanig vormgeven, dat het kabinet zich genoopt ziet aan een deel van die kritiek tegemoet te komen? Zo kon het niet gaan met de ecotax. Bij de behandeling daarvan spuide de VVD-fractie haar scherpe kritiek. Maar uiteindelijk - en dat was impliciet kenbaar gemaakt tijdens de algemene politieke beschouwingen - gaf de politieke afweging de doorslag. Daarvoor had de VVD-fractie geen machtswoord van het kabinet nodig. Dat inzicht had zijzelf, na kennisneming van het - op dit punt gedetailleerde - regeerakkoord en de wetenschap dat sprake was van een moeizaam bereikt onderhandelingsresultaat. Met de toezeggingen dat dit kabinet niet met verdere voorstellen zou komen en de kansen die het zou bieden voor energiebesparende afspraken met het midden- en kleinbedrijf, moest de VVD-fractie zich in dat geval tevreden stellen.

Bij de Algemene Nabestaandenwet was het anders. De bezwaren bestonden Kamerbreed en dat noopte de regering tot verdergaande toezeggingen. Daarbij ging het niet om een voorstel dat het in de Tweede Kamer niet had gehaald, zoals het hoofdartikel in NRC Handelsblad veronderstelt. Het amendement-Rosenmöller beoogde een beperkte kortingsregeling voor alle AAW-uitkeringen; de toezegging aan de Eerste Kamer had betrekking op de bestaande gevallen van AAW- en VUT-regelingen. In de Eerste Kamer kwam dus in dit geval, anders dan Deetman stelt, wel een ander compromis tot stand dan in de Tweede Kamer aan de orde was geweest. En het was dan ook niet de Eerste Kamer die, zoals Deetman beweert, door de pomp ging. Er was sprake van gemeen overleg tussen regering en een deel van de Staten-Generaal dat vrucht droeg: de kwaliteit werd deels verbeterd. Dat is de taak van de Eerste Kamer.

Of dat nu te maken heeft met de ruime aanwezigheid van oud-bewindslieden en anderen met ervaring in de landspolitiek, waag ik te betwijfelen. Van de Eerste Kamer hebben altijd nogal wat gewezen bewindslieden en Tweede-Kamerleden deel uitgemaakt. Wel denk ik dat de verkiezing van de Eerste Kamer in haar geheel, in plaats van in twee gedeelten, van invloed is. Al was het maar omdat bij ontbinding van deze Kamer steeds de terugkeer in dezelfde politieke verhoudingen is te verwachten. Maar ja, het initiatief om de Eerste Kamer niet meer in gedeelten te laten kiezen is destijds eerst in de Tweede Kamer omarmd, en die heeft nu eenmaal het politieke primaat.