MPS (3)

Met meer dan gewone belangstelling heb ik het artikel gelezen van Pety de Vries. Zelf van incest beschuldigd door een toen 27-jarige dochter bij wie mogelijk MPS is vastgesteld, heb ik, en ook mijn vrouw, verschillende pogingen gedaan om met haar therapeuten in contact te komen.

Het RIAGG liet het afweten vanwege het feit dat men 'de privacy van de cliënt' wilde waarborgen. Later, toen de beschuldigingen per brief en in het openbaar dermate schokkend voor ons werden, hebben wij haar zelf een brief geschreven waarin wij haar voorstelden 'onder leiding van een deskundige' de problemen te bespreken. Zij wilde niets met 'onze zogenaamd deskundigen' te maken hebben, maar verwees ons naar haar therapeut die volgens haar een expert zou zijn op het gebied van slachtoffers van incest, maar ook van incest-daders.

Na verschillende keren telefonisch en schriftelijk contact opgenomen te hebben, bezochten wij haar therapeut. Onze dochter was daarbij niet aanwezig. Tot onze niet geringe verbazing zei haar therapeut niet van de incestbeschuldiging te weten en gaf tevens aan dat dat hem ook niet interesseerde. Hij gaf ons uitleg van zijn therapie die hij 'integrale rehabilitatie' noemde, waarbij afgerekend moest worden met de 'terreur van het geheugen' en blokkades weggenomen moesten worden door het opwekken van agressie, die zich dan moest ontladen. Door tromgeroffel, dans en muziek werd die agressie opgewekt. Omdat de 'ontlading van de agressie' soms gepaard ging met geweld, bedekte de therapeut zich met een soort honden-dressuurpak zodat hij niet verwond kon worden.

Tabellen en andere gegevens moesten ons ervan overtuigen dat zeker 40% van vrouwen het slachtoffer van incest was. Hij was wel van mening dat haar agressie zich niet op die manier naar ons toe mocht uiten. Hij zou het probleem met haar man, een bevriende relatie van hem, bespreken. In een later stadium werd door hem een gesprek met onze dochter gearrangeerd, die echter op de geplande datum niet verscheen. Wij hebben toen de therapeut gevraagd contact op te nemen met onze psycholoog. Hij heeft dit niet gedaan. Zijn optreden als intermediair, waar onze dochter nadrukkelijk om vroeg, bracht geen oplossing, omdat hij het beter achtte het verleden maar te vergeten. Dit was natuurlijk een onmogelijke zaak, omdat de aard van de beschuldiging (geestelijke en lichamelijke verkrachting door vader, moeder, grootvader en ooms vanaf haar tweede tot haar tiende jaar, alsmede het aanzetten tot prostitutie) niet zomaar 'onder het tapijt geveegd' kon worden. Onze dochter 'vergaf ons de incest', waarbij het haar niet ging om de juridische feiten. Wij moesten haar gevoelens als incestslachtoffer respecteren. Dit was voor ons echter een onmogelijke zaak, omdat de beschuldigingen onwaar waren.

Met dit verhaal zijn wij bij toeval terecht gekomen bij de Werkgroep Fictieve Herinneringen. Tijdens de bijeenkomsten van deze werkgroep is ons gebleken dat in eerste instantie deze groep genegeerd werd. De deskundigen op het gebied van MPS en de daarmee in verband staande incest stonden zeer sceptisch tegenover de woordvoerders van de groep. Het kon immers niet zijn dat iemand ten onrechte van incest beschuldigd was. Het 'ja' van het slachtoffer leek toch onaantastbaar en daders ontkennen toch altijd (wij zelf werden als 'Finkensiepertjes' gekenmerkt).

De laatste tijd echter krijgen wij de indruk, dat er toch iets meer geluisterd wordt naar de werkgroep. Zelfs mevrouw Draijer toont iets meer belangstelling dan in een eerder stadium. En als de heer Van der Hart in zijn 'Trauma, dissociatie en hypnose' waarschuwt tegen 'te snel en te onzorgvuldig exploreren' en daarbij zelfs nog erkent dat hij die fout vroeger zelf ook wel maakte, moeten er mogelijkheden zijn voor een beter overleg om bijvoorbeeld protocollen voor de therapeuten vast te stellen. Dit is niet alleen in het belang van de onterecht beschuldigden, maar zeer zeker ook voor de werkelijke incestslachtoffers en diegenen die beschuldigingen onterecht geuit hebben.