Marokkaanse jeugd gebaat bij strakke discipline

Marokkaanse jongeren vormen een probleemgroep in Nederland. Een project in Utrecht probeert de situatie te verbeteren.

UTRECHT, 4 JAN. “Een islamitische opvoeding voor mijn kinderen vind ik heel belangrijk”, zegt Abderrahman Boulaksil (43). “Alles wat maatschappelijk niet verantwoord is, staat al in de Koran. Soms lezen we samen met de hele familie uit de Koran.”

Boulaksil kwam in 1971 uit Marokko naar Nederland om bij een veevoedersbedrijf te werken. In 1982 volgden zijn vrouw en twee kinderen. Tegenwoordig werkt hij als technisch onderhoudswerker bij een chemieconcern en woont hij met zijn gezin in de boomloze 'Betonbuurt' in het Utrechtse Zuilen. Hij heeft nu zes kinderen, vijf zoons - zeventien, dertien, negen, zeven en twee jaar oud - en een dochter van elf, maar de woonkamer is stil.

“Ze zitten boven huiswerk te maken”, zegt Boulaksil. Hij wil dat zijn kinderen later gaan studeren. “Dan hebben ze misschien nog kans op een baan. Maar de Nederlandse maatschappij is keihard. Er wordt wel degelijk gediscrimineerd. Marokkanen worden gewoon niet aangenomen, ook al voldoen ze aan de eisen. Hoe wil je dan dat ze hier integreren? Dus gaan ze maar rondhangen en krijgen verkeerde vrienden.”

Boulaksil kwam enkele jaren geleden in contact met het project 'In gesprek met Marokkaanse ouders', een inititatief van het Centrum Buitenlanders Midden-Nederland (CBMN). Daarin proberen ouders samen met politie, scholen en maatschappelijke instellingen in Utrecht te voorkomen dat Marokkaanse jeugd ontspoort en naar de criminaliteit afglijdt. Vorige maand werd het project met een conferentie en een boekje afgesloten.

Drie jaar lang, eens in de zes weken, kwamen dertig tot zestig Marokkaanse ouders bijeen. Eerst in een gehuurd zaaltje aan de Oudegracht, later in de moskee in Overvecht of op scholen en buurthuizen in Zuilen en Lombok. Deskundigen van de politie, de kinderbescherming, het School Advies Centrum, het RIAGG en het JAC spraken er over belangrijke thema's: het onderwijssysteem, schoolverlaters, weglopen, straffen en belonen, drugs en drugspreventie. De ouders gingen met de sprekers in discussie en de lokale radio zond de bijeenkomsten uit.

Ook Boulaksil was actief in het project en is dat nog steeds in de zogeheten 'Marokkaanse kaders' van Zuilen: “Ik probeerde ouders voor het project te interesseren en bemiddelde bij problemen tussen ouders en kinderen of bij echtscheidingen. Dat lukte niet altijd, maar het feit dat ouders actief zijn geeft toch een bepaalde structuur. Er moet meer gebeuren: werkgelegenheid scheppen en discriminatie tegengaan.”

Van de minderjarigen die met justitie in aanraking komen, scoren Marokkanen hoog. Uit recent onderzoek blijkt dat een kwart van de jongeren die in justitiële behandelingsinrichtingen verblijven, een Marokkaanse achtergrond heeft. De helft van de jeugdigen is van Nederlandse afkomst en de rest heeft een Surinaamse, Antilliaanse, Turkse of andere achtergrond.

Dat de Marokkaanse jongeren al lang een probleemgroep vormen, geeft ook de Marokkaanse gemeenschap toe. “Zolang ouders hun opvoedende rol niet vervullen, kunnen maatschappelijke instellingen de ontsporing van die jeugd niet tegengaan”, zegt Mohamed Sini (38), werkzaam bij het CBMN en initiator van het project 'In gesprek met Marokkaanse ouders'. Maar volgens Sini stigmatiseren de media het probleem van de Marokkaanse jongeren. “Het mag niet zo zijn dat over Marokkanen wordt gesproken zonder dat ze zelf worden gehoord. Met dit project wilden we het isolement van ouders doorbreken. Het is slechts een begin van de oplossing en het is nog te vroeg om te zeggen of het ook helpt.”

Boulaksil verwijt de Nederlandse maatschappij dat zij “haar verantwoordelijkheid laat liggen”. “In Nederland mag te veel. Drugsdealers worden niet bestraft. Er zijn geen grenzen. Dus maken kinderen misbruik van hun macht”, zegt hij. Volgens hem vechten Marokkaanse ouders tegen de bierkaai. “Niet ik laat de jeugd ontsporen, maar de te grote tolerantie.”

Cultureel-antropoloog Hans Werdmölder, die vijf jaar geleden promoveerde op de Marokkaanse probleemgroep, pleit voor een consequente aanpak die ze ook thuis gewend zijn. “Die jongens zijn helemaal niet zielig. Ze vragen er zelf om. In Marokko heb je die problemen niet, daar bestaat een grotere sociale controle. Een leraar of agent straalt daar gezag uit. Maar in Nederland zijn de normen en waarden minder expliciet. Ik pleit dan ook voor explicitering van normen en waarden. Je mag een onderwijzer bij de voornaam noemen, maar die is wel de baas.”

Het Tweede-Kamerlid Mohammed Rabbae (GroenLinks), vader van drie kinderen, was drie jaar geleden, toen nog als directeur was het Nederlands Centrum voor Buitenlanders (NCB), nauw betrokken bij het Utrechtse project. “Ik ben voor alternatieve straffen wanneer Marokkaanse jongeren met justitie in aanraking komen. Je zou ze tussen negen en vijf kunnen inzetten ten behoeve van de Marokkaanse gemeenschap.” Verder pleit hij voor Marokkaanse gastgezinnen. “Bij conflicten kan een kind even van huis, zodat het evenwicht weer kan worden hersteld.”

Maar voor alles bepleit Rabbae een stukje Nederlandse burgerzin van Marokkaanse ouders. “De Marokkaanse gemeenschap moet het Nederlanderschap aannemen in plaats van te dromen over een stukje grond in Marokko”, aldus Rabbae. “Laat vaders zaterdagochtend met hun jongens naar voetbal gaan. Dan hangen ze niet rond. Bovendien is sport goed voor de discipline van de jeugd. Een gezonde geest in een gezond lichaam.”