Mager, winterjas, vla, brood, krentenbol

Als ik mijn fiets op slot zet, scharrelt hij langs het hek: een broodmagere jongen in een winterjas die tot zijn enkels reikt. Hij praat in zichzelf en dwaalt over de straat alsof hij niet weet waar hij op aarde is. Soms staat hij midden op de rijweg stil. Hij heeft een inwit gezicht vol rode vlekken, maar innemende, bruine ogen waarboven de wenkbrauwen hoog zijn opgetrokken als bij een levensgrote vraag.

In de supermarkt kom ik hem even later opnieuw tegen. Hij staat bij de melk, neemt een kartonnetje vla in de hand, zet het terug, pakt het weer op. Op de plaats waar de broekzakken zitten, is zijn magere gestalte in de breedte uitgedijd.

Wanneer ik bij de kaasafdeling mijn beurt afwacht, loopt hij rond bij het brood. Hij neemt een plastic zak vol krentenbollen van het schap en bekijkt die ernstig van alle zijden. Weer is hij breder geworden.

Omdat ik niet de aandacht op hem wil vestigen, kijk ik niet ál te nadrukkelijk zijn kant uit. Maar als hij bij de kassa's vóór mij staat, kan ik mijn blik niet van hem afhouden. Al zijn zakken, ook die van zijn lange jas, zitten nu zó volgestouwd dat hij het figuur van een duikelaar gekregen heeft. Hij doet geen poging om de naar buiten piepende krentenbollen met zijn mouw of hand te bedekken en zet drie blikjes cola op de band.

De man van de bewakingsdienst schikt zijn uniformdas en stelt zich op aan het eind van de band. Hij houdt zijn handen op zijn rug. Zijn blik rust op de jongen. Achter de kassa zit een stevige man die alle klanten aankijkt voor hij de streepjescodes afpiept. Ook nu kijkt hij op van de cola's naar het magere gezicht, naar de plaats van het hart waar de jas extreem opbolt, naar de uitstaande zakken en de onbedekte krentenbollen. Dan wisselt hij een blik van verstandhouding met de bewaker en rekent de cola's af.

Samen kijken de mannen hoe de jongen met de volgepropte jas naar buiten loopt.

    • Monica Metz