In Liefde Bloeyende

Op de doot van myn dochtertje

Jakoba tradt met tegenzin

Ter snode werelt in;

En heeft zich aen het endt geschreit

In haere onnozelheit.

Zy was hier naeu verscheenen

Of ging, wel graeg, weêr heenen.

De moeder kuste 't lieve wicht

Voor 't levenloos gezigt

En riep het zieltje nogh te rug:

Maer dat, te snel en vlug

Was nu al opgevaren

By Godts verheugde schaeren.

Daer lacht en speelt het nu zoo schoon

Rontom den hoogsten troon;

En spreit de wiekjes luchtigh uit

Door wee noch smart gestuit.

O bloem van dertien dagen

Uw heil verbiedt ons 't klagen.

Hubert Korneliszoon Poot (1689-1733)

We hebben aan de kindersterfte een aantal prachtige gedichten te danken. Het zijn stuk voor stuk gedichten waarbij - om het uit te bootsen verdriet poëtisch beheersbaar te houden - een gebeurtenis die nauwelijks intiemer kon zijn zo afstandelijk mogelijk behandeld diende te worden, zonder dat aan de schrijnende actualiteit van het moment afbreuk werd gedaan. Gedichten dus waarbij iedere pruldichter of gevoelspoëet onmiddellijk door de mand zou vallen. Er werden over dooie kinderen eeuwenlang de nodige wegwerpgedichten geschreven, maar de prachtige zijn dan ook werkelijk prachtig. Ik denk vanzelf aan Vondels Uitvaert van mijn dochterken, maar ook aan het veel minder bekende Lykzang, over myn jongste zoontje van Jan Baptista Wellekens dat ik hier graag had willen citeren, maar dat daarvoor te lang is.

Waar is Michieltje,ons jongste kind

Van ons zo lief zo teêr bemint

Dat altydt Moeder: Moeder, riep

En als een roos, zo zacht, in

Moeders armen sliep?

en zo zestien coupletten door, in een consequent volgehouden naïeve, haast pastorale toonzetting.

O bloempje! net van zeven jaar

roept Wellekens wanneer zijn Michieltje met open armen, 'als een Engeltje', naar God is gevlogen en

O bloem van dertien dagen

luidt de snik bij Poot. Ik weet niet wie aan wie hier schatplichtig is (Wellekens was zo'n dertig jaar ouder dan Poot), maar duidelijk is dat beide dichters veel te danken hebben aan Vondel. Ook bij Wellekens wordt het kind in het onbekommerde geluk van zijn kinderspelen geschilderd, in de ernstige aandacht die alleen het 'speelziek hart' kan opbrengen. Die herinneringen aan hoepelen, hinkelen en heldere lach kan Poot niet ophalen, want zijn Jakoba is maar dertien dagen oud geworden, maar duidelijk horen we Vondels toon

O krancke troost! wat baat

De groene en goude lover?

Die staatsi gaat haast over

in zijn gedicht terug. En het blijft, of het kind nu zeven jaar of dertien dagen is geworden: een engel hier, een engel daar. Maar verder houdt, voor Poot althans, de vergelijking op. Zijn Jakoba is niet uit geluk en speelsheid weggerukt, het leek haar meteen al beter nee te zeggen tegen de wereld en het leven de rug toe te keren

Zy was hier naeu verscheenen

Of ging, wel graeg, weêr heenen

- pregnanter kan het wel niet worden meegedeeld. Heel het gedicht van Poot is een toonbeeld van indikking en gestolde smart. In de eerste zes regels wordt Jakoba zelf opgevoerd. Ze wil weliswaar niet leven, maar door het gebruik van actieve werkwoorden - treden, schreien, verschijnen, gaan - weet Poot er toch een levende aanwezigheid van te maken, ondanks haar tegenzin. De tweede zes regels zijn gewijd aan de moeder en haar vruchteloze poging het kind bij zich te houden: maar in dezelfde zes regels is Jakoba ook al op haar eindbestemming aangekomen. De derde en laatste zes regels worden door Poot al even volgepakt: het geluk van het dode kind wordt ons geschilderd, omdat we het er toch over hebben worden we in één ruk door nog even herinnerd aan het wee en de smart die inherent aan het leven zijn en 's dichters afsluitende snik kan niet korter en ingehoudener. Zakelijk haast.

In dit gedicht is de hele tragedie van de zuigelingensterfte tot de essentie teruggebracht en tegelijkertijd bevat elke strofe een kosmos. Dit is zingen met verstikte stem. Niet de reden van de verstikking ontroert ons, maar het zingen.

Ach, dode kinderen ontroeren ons natuurlijk ook. Waarom? Ik wil niet in sentimentaliteit vervallen, en het is me bekend dat over de waarde van een mensenleven verschillend wordt gedacht - maar dat dode kinderen iets hebben, het is alleen al door de geslaagde gedichten over dit onderwerp onmiskenbaar. De onschuld die nog niet de gelegenheid heeft kunnen aangrijpen zich te laten vermoorden speelt waarschijnlijk een rol, maar belangrijker lijkt me het idee van een wezen dat tussen twee oneindige stilten in even is komen kijken. Het is er geweest, als een rimpeling, het heeft gekeken en gezien dat het niet goed was. Dat vinden wij ook, maar wij - sukkels - strompelen voort. Of het heeft een blik op het wonder geslagen zonder er van te mogen meegenieten. Wij daarentegen kunnen van het wonder meegenieten en doen het niet. Hoe dan ook, het dode kind staart ons verwijtend aan.