Het nationaal belang valt niet te definiëren

Het 'nationaal belang' moet een promimente rol spelen in de Nederlandse buitenlandse politiek, poneerde VVD-leider Frits Bolkestein een jaar geleden. Van de discussie die volgde werd E.H. van der Beugel niet veel wijzer. Hij hoopt vooral op een betere coördinatie.

Bij de voorbereiding van deze inleiding viel het mij weer op, hoe moeilijk het is een definitie te geven van het begrip 'nationaal belang' en dat is toch bij de discussie niet onbelangrijk. Ik zal u geen deelgenoot maken van mijn frustraties op dit punt, maar ik maak wèl een paar kanttekeningen.

De eerste is, dat een discussie over de plaats van het nationaal belang een nogal sterk Nederlands karakter draagt, u kunt zich toch niet voorstellen dat er in Frankrijk en Engeland, en in vrijwel alle andere Europese landen, zo een discussie plaatsvindt. Merkwaardig genoeg is het enige land waarin zo'n discussie plaatsvindt, en steeds plaatsgevonden heeft, de Verenigde Staten van Amerika.

Mijn generatie heeft op dit punt een merkwaardige ontwikkeling in de VS meegemaakt. Wij hebben de lange jaren meegemaakt dat het in Amerika volstrekt taboe was om buitenlandse politiek te legitimeren met een beroep op het nationale belang. En nu, op dit moment, gaat het debat over de interventie in Bosnië bijna uitsluitend over de vraag of die interventie in het nationale belang van de VS is. Het kan verkeren.

Ten tweede: nationaal belang is geen statisch begrip. Het wisselt door interne of externe omstandigheden. Wij hebben de neiging het begrip 'nationaal belang' te identificeren met ons oordeel over de inhoud van de politiek die wordt gevoerd. Als wij het met die politiek oneens zijn, achten wij dat meestal tégen het nationaal belang en ook omgekeerd is dat het geval. Een poging om het begrip 'nationaal' te objectiveren, zou moeten worden gescheiden van een oordeel over de gevoerde of te voeren politiek.

Ten derde: al deze factoren leiden mij ertoe om te twijfelen of een werkzame definitie van het nationaal belang mogelijk is. Er is maar één groep die het in de discussie relatief gemakkelijk heeft, omdat voor hen het nationaal belang bijna geheel samenvalt met het economisch belang: vrijhandel, exportbevordering, financiële stabiliteit, versterking van deze concurrentiepositie. Nu zal ik de laatste zijn om het belang daarvan ook maar een moment te onderschatten. Maar de absolute identificatie van nationaal belang en zuiver economische factoren bevredigt mij niet.

Bij mijn mislukte poging om een algemene definitie te geven passeren toch ook andere relevante factoren de revue. Wanneer niet-materiële kwesties gedragen worden door een consensus of bijna-consensus van de bevolking, kan men zich niet onttrekken aan het feit dat het dienen van die algemene opvatting deel uitmaakt van het nationaal belang, ook - en ik kan dat niet genoeg herhalen - wanneer men het niet met die sterk levende gevoelens eens is. Ik denk bij voorbeeld aan de hoge prioriteit van de mensenrechten en de onaantastbaarheid van de begroting van ontwikkelingssamenwerking.

Dat betekent dat het nationaal belang bijna onbegrensd is en dat het oneindig veel makkelijker is om een lijstje te maken van de zaken die, zelfs bij de breedste interpretatie van nationaal belang, nìet in het nationaal belang zijn, dan een lijst van de politiek die dat wèl is. Daarom beperk ik mij tot een paar voorbeelden die, bij welke brede opmschrijving van het nationaal belang dan ook, nìet in dat belang waren of zijn. Dan begrijpt u beter wat ikbedoel. Met weinig aarzeling zet ik de Nieuw Guinea-kwestie op dat lijstje. Welke interpretatie van nationaal belang men ook aanhangt, men kan geen constructie bedenken die de Nieuw-Guinea-politiek kon legitimeren met nationaal belang.

Een tweede voorbeeld is de opwinding die is ontstaan bij de recente benoeming van een nieuwe secretaris-generaal van de NAVO. Het nationale belang van Nederland is uitsluitend gediend met de keuze van een zo kundig mogelijke secretaris-generaal. Of dat een Nederlander is of niet, heeft geen enkele relevantie voor het Nederlandse belang. Dit oordeel heeft alles te maken met de hysterie die de afwijzing van onze kandidaat heeft opgeroepen en die onder meer heeft geleid tot een absurde, tot niets dienende, uitspraak van de minister van buitenlandse zaken, dat wij een dieptepunt beleefden in onze verhouding met de VS.

Ten eerste is dat niet waar en ten tweede hoort een minister van buitenlandse zaken dat niet te zeggen, want dat dient tot niets en als een minister iets zegt, is wel het minste dat men moet verlangen, dat het enig doel dient.

Mijn conclusie is dat een definitie van 'nationaal belang' uiterst moeilijk is. Voor mij is het in ieder geval een veel breder begrip dan zuiver economisch. Dat heeft niets te maken met de vraag of men het persoonlijk eens of niet eens is met de inhoud van de politiek. Ik ben bij voorbeeld persoonlijk van mening dat ons internationaal optreden, in het probleem van de mensenrechten, te dogmatisch is en de onaantastbaarheid van de begroting van ontwikkelingssamenwerking onjuist is, maar ik ben tegelijkertijd van mening dat de consensus of bijna-consensus die hierover in het land bestaat, betekent dat het wel onder het begrip van 'nationaal belang' valt.

Tenslotte sta ik stil bij de cruciale vraag of het 'nationaal belang' een werkzaam bestanddeel van het Nederlands buitenlands beleid is? Een kort antwoord: ja. Dat is altijd zo geweest en het is op de rand van het absurde dat door de stortvloed van discussies de indruk wordt gewekt dat wij nu eindelijk een groter element van nationaal belang in onze politiek moeten incorpereren.

Het woord 'herijking' heeft veel tot die verwarring bijgedragen, om over 'ontschotting' maar niet te spreken. Wat aan de orde is, is niet een beslissing vanaf 1 januari 1996 het nationale belang te gaan dienen. Aan de orde zijn wèl de voorwaarden, die een zo efficiënt mogelijke uitvoering van het beleid garanderen.

Ik heb daar een paar opmerkingen over. Ten eerste. Mede ten gevolge van de onvermijdelijkheid van coalities is de ministeriële verantwoordelijkheid in Nederland totaal en geheel onaangetast, ook in het buitenland. Ik juich het daarom van harte toe, wanneer daaraan iets gebeurt, en dat men dat doet via de minister van buitenlandse zaken lijkt mij juist. Het gaat om coördinatie. Dat is een juiste stap, maar niet meer dan dat.

Dat die coördinatie hernieuwde aandacht krijgt, ook in de organisatie, lijkt mij juist. Ik zeg 'hernieuwd', omdat het een oud probleem is, waarbij ik altijd heb gepleit om het bij de kabinetsformatie te regelen en niet tijdens de regeerperiode omdat dan de vested interests als zo 'vested' zijn. Het lijkt mij vooral ook juist, omdat wij gewoon niet goed zijn in het spreken met één stem in het buitenland. We hebben in Brussel te maken met landen als Engeland en Frankrijk en in iets mindere mate met Duitsland, die wèl met één stem spreken.

Ook in Parijs, Londen en Bonn is de competentiestrijd tussen de departementen misschien nog wel feller dan bij ons. Maar in Brussel zal men daar weinig of niets van merken, en dat ligt niet alleen aan het feit dat de President van de Republiek, de Prime Minister en de Bondskanselier glimlachen als wij de minister-president slechts als primus inter pares beschouwen. Wat nu de hernieuwde coördinatie van buitenlandse zaken betreft: op hoop van zegen!

Als tweede punt van de noodzaak om aan die uitvoering zoveel aandacht te geven, noem ik het veel copmplexere punt van de Nederlandse attitude in het internationale verkeer. De combinatie van 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg', de voorkeur voor 'recht voor zijn raap schieten', de merkwaardige veronderstelling dat de snelle leugen altijd door de waarheid wordt achterhaald en het vaak houterige gebruik van vreemde talen, maakt de indruk van een combinatie van naïveteit en Überlegenheit die de goede zaak nauwelijks dient. Onnodig te zeggen dat er gelukkig heel veel uitzonderingen zijn. Aan dat verschijnsel iets te doen, is heel moeilijk want het gaat hier om een werkelijke reflectie van onze volksaard.

Ten derde. De versterking van het economisch element bij onze vertegenwoordiging in het buitenland lijkt mij juist. Het politieke primaat op onze ambassades is in veel gevallen uit de tijd. Wat blijft er, met name in de landen van de Europese Unie, over van de politieke rapportage wanneer Le Figaro, Le Monde, de Frankfurter Allgemeine, de Herald Tribune, The Times, enzovoorts om 7 uur 's morgens ten departemente beschikbaar zijn? Wat blijft er over van de politieke demarches wanneer de minister en de hogere staf, als ze al niet hun collegae een of twee maal per week in Brussel ontmoeten, dagelijks met elkaar kunnen telefoneren?

Conclusie. Als ik naar de discussie over het nationaal belang kijk, zou het te verleidelijk zijn te kiezen tussen de gebaarde muis of de weinige wol. Ik doe dat niet, want dan zou ik alleen bevestigen dat ik tot de wel zeer oude generatie behoor, wat ik overigens in het geheel niet betreur.

Ik eindig daarom met de wens dat er niet te veel aandacht meer zal worden besteed aan het bijna vanzelfsprekende antwoord op de vraag of het nationaal belang een werkzaam bestanddeel vormt van het Nederlandse beleid, maar wel heel veel aandacht zal worden geschonken aan de zo efficiënt mogelijke uitvoering van dat beleid.

    • E.H. van der Breugel