EX-DDR na vijf jaar ontnuchterd

AMSTERDAM, 4 JAN. De onvrede onder de bevolking van het voormalige Oost-Duitsland met de Duitse hereniging is de laatste jaren toegenomen. Dit blijkt uit een enquête die is gehouden onder bewoners van de Bondsrepubliek door het Duitse bureau voor opinieonderzoek Infratest in samenwerking met het Duitse dagblad Süddeutsche Zeitung, dat de resultaten vandaag heeft gepubliceerd.

In vergelijking met een onderzoek onder Oost- en Westduitsers gehouden in 1990, vlak na de hereniging, onder het motto 'Hoe moet Duitsland er over tien jaar uitzien?' is de skepsis in Oost-Duitsland ten aanzien van de nieuwe Duitse regering groter geworden. Destijds zei 51 procent de voorkeur te geven aan de bondsregering, nu heeft nog slechts 33 procent die voorkeur en zegt 34 procent zowel met de oude als met de nieuwe regering weinig op te hebben. De algemene conclusie van de enquête is dat de euforie over de Duitse hereniging plaats heeft gemaakt voor ontnuchtering en dat angsten zijn toegenomen. Terwijl de realiteitszin met betrekking tot het heden is gegroeid, zijn nostalgische gevoelens onder Oostduitsers toegenomen. Tegenwoordig verlangt een op de vijf Oostduitsers terug naar de vroegere regering, tegen een op de negen in 1990. In 1990 was de grootste zorg van Duitsers nog het milieu, tegenwoordig scoort in heel Duitsland de angst voor criminaliteit (59 procent) het hoogst, met de angst voor werkloosheid (52 procent) als tweede. In 1990 werd de angst voor werkloosheid genoemd door slechts 33 procent van de ondervraagden. Ook gestegen zijn de angst voor armoede en die voor toename van geweld. Van de ondervraagden zegt 44 procent bang te zijn voor neonazi's.

Onder Oostduitsers is een toenemende behoefte zichtbaar aan gezag en orde. Van de ondervraagde Oostduitsers vindt 44 procent dat de autoriteit van de staat onvoldoende wordt gerespecteerd en is 78 procent voor meer aanwezigheid van de politie op straat. Vijf jaar geleden zei 42 procent nog voorstander te zijn van een meer liberale maatschappij, nu is 34 procent die mening toegedaan en wil 37 procent dat de samenleving minder liberaal wordt. In de nieuwe deelstaten is ook de onvrede gegroeid over de invloed van burgers op de regering. In 1990 meende 45 procent van de Oostduitsers dat zij geen invloed hebben op de regering, tegenwoordig denkt 79 procent daar zo over.

De skepsis over Europese samenwerking is in heel Duitsland toegenomen. In 1990 was nog een grote meerderheid (76 procent in Oost-, 70 procent in West-Duitsland) voor de invoering van Europees federaal bestuur, tegenwoordig zegt 59 procent van de Oostduitsers en 52 procent van de Westduitsers daar tegen te zijn.

Nog steeds een meerderheid van de ondervraagden in het hele land (63 procent) wil dat Duitsland buiten internationale conflicten blijft, hoewel die meerderheid wel kleiner is geworden. In 1990 was nog 75 procent van de Duitsers tegen inmenging in buitenlandse oorlogen. In Oost-Duitsland is de weerstand tegen internationale operaties het grootst. Een grote meerderheid (75 procent) van de Duitse ondervraagden vindt dat de regering vooral aandacht moet besteden aan sociale zekerheid. Militaire macht scoort het laagst, met vier procent. In 1990 vond nog 55 procent van de Duitsers betrekkingen met Rusland van het grootste belang, nu zijn de VS met 45 procent nummer één, met daarachter respectievelijk Rusland en Frankrijk. Zwitserland wordt nog steeds door de meeste ondervraagden genoemd als het meest ideale land, door zijn welvaart en onafhankelijkheid. Zweden komt als ideaal voorbeeld van sociale geborgenheid op de tweede plaats.