BLOWEN EN SPUITEN

Marcel de Kort. Tussen patiënt en delinquent. Geschiedenis van het Nederlandse drugbeleid (Proefschrift EUR). 343 blz. Hilversum, Verloren.

Dirk J. Korf. Dutch treat. Formal control and illicit drug use in the Netherlands (Proefschrift UvA). 342 blz. Amsterdam, Thesis Publishers. ƒ 45,-.

E.H. Prins. Maturing out. An empirical study of personal histories and processes in hard-drug addiction (Proefschrift EUR). 208 blz. Assen, Van Gorcum. ƒ 49,50.

Harry van Haastrecht. The evolving HIV epidemic, mortality and morbidity among drug users in Amsterdam (Proefschrift UvA). 120 blz.

Het mooiste resultaat van het Nederlandse drugsbeleid is dat de gemiddelde leeftijd van de methadongebruikers ieder jaar ook met bijna een jaar stijgt. Hun gemiddelde leeftijd ligt nu in Amsterdam al ruim boven de 35 jaar. Omdat het overgrote deel van de harddrugsverslaafden ooit in een methadonverstrekkingsprogramma terechtkomt, wordt dit algemeen gezien als een aanwijzing voor de afnemende aantrekkingskracht van heroïne op jongeren. In de landen om ons heen doet zich wel een soortgelijke ontwikkeling voor, maar toch duidelijk minder sterk. Naar verhouding zijn er daar zowel meer verslaafden als jongere verslaafden, terwijl het totaal aantal verslaafden anders dan bij ons ook nog steeds lijkt toe te nemen.

Met naar schatting 16 harddrugsverslaafden per 10.000 inwoners bevindt Nederland zich iets onder het niveau van België en de (oude) Bondsrepubliek, redelijk onder dat van Frankrijk en Groot-Brittannië en ruim onder dat van Zwitserland of Italië. De Nederlandse cijfers zijn niet alleen 'goed' in de morele of medische zin van het woord, ze zijn ook redelijk betrouwbaar en dat kan van de cijfers uit de meeste andere landen niet gezegd worden. Dirk Korf maakt in zijn proefschrift een systematische vergelijking tussen Nederland en Duitsland, maar in veel gevallen is dat nauwelijks mogelijk, omdat er helemaal geen vergelijkbare gegevens beschikbaar zijn. Duitsland is dan zelfs nog een wat gunstige uitzondering. In landen, waar de criminalisering van het drugsgebruik nog volledig intact is en de drugsgebruiker dus niets anders dan gevangenisstraf te verwachten heeft, bestaan ook nauwelijks andere dan criminologische gegevens (aantallen opsporingen, veroordelingen, gevangenisstraffen, drugsdoden).

In feite weet men in die landen over drugsgebruik en de drugsgebruiker net zo veel of - vooral - net zo weinig als over de drugshandel in de landen waar deze gecriminaliseerd is. Dat geldt ook voor Nederland, want de handel in harddugs is hier net zo verboden als overal elders. De IRT-affaire heeft inmiddels wel een idee gegeven van de omvang en de ongrijpbaarheid van de handel. Het verschil in beleid met andere landen wordt dan ook vooral gevormd door het onderscheid dat men hier wil blijven maken tussen de handel in en het gebruik van hard drugs. Daarnaast is er een internationaal gezien opmerkelijk onderscheid in beleid tussen de aanpak van soft drugs en hard drugs. Justitieel gezien ligt het accent op de bestrijding van de handel in hard drugs, medisch-sociaal gezien op het tegengaan van schade door het gebruik van vooral heroïne en sociaal-cultureel gezien op het verminderen van de kans dat jongeren überhaupt met hard drugs in aanraking kunnen komen. Het accepteren van 'coffeeshops' - niemand valt ooit nog over die idiote naam - als vrijplaatsen voor de aanschaf en het gebruik van hasjiesj en marihuana hoort daar ook bij. Een beetje bizar blijft het dan wel om de voordeur bijna te legaliseren en de leveranciersingang in belangrijke mate gecriminaliseerd te houden: de groothandel in hasj blijft onder internationale druk een opsporings- en vervolgingsprioriteit. De zeer verdedigend geschreven nota 'Het Nederlandse drugbeleid' van de ministers Sorgdrager en Borst laat daarover geen twijfel bestaan.

De bijzondere kenmerken van het Nederlandse drugbeleid hebben veel onderzoek mogelijk en steeds meer ook nodig gemaakt. De Nederlandse regering voelt zich voortdurend verplicht haar beleid internationaal uit te leggen en te verdedigen - is België hier al eens zijn vuurwerkbeleid komen uitleggen? - en daarvoor zijn behalve veel mooie woorden ook redelijk harde gegevens nodig. De formele standpunten van de belangrijkste scherpslijpers in de 'War on Drugs', altijd de Verenigde Staten, maar nu vooral ook Frankrijk en Zweden, worden daar niet of nauwelijks door beïnvloed, maar op lokaal niveau, in de sfeer van justitie en hulpverlening ook, is er wel degelijk belangstelling voor de Nederlandse ervaringen. Meer dan dat zelfs, in Hamburg, Bremen en NoordRijn-Westfalen wordt al bijna een Nederlands beleid gevoerd en in Noord-Frankrijk zou men op veel plaatsen graag die richting opgaan. In een stad als Zürich, waar de drugsproblematiek enkele jaren geleden totaal uit de hand liep, is men in sommige opzichten al weer 'verder' dan in Nederland: er wordt daar op vrij grote schaal aan verslaafden heroïne verstrekt.

Wie snel een goed beeld wil hebben van de huidige stand van zaken in onderzoek en hulpverlening op het gebied van de drugsverslaving in Nederland kan prima terecht in het themanummer van 16 december van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Wie meer wil dan die 40 pagina's kan zijn hart ophalen aan een hele reeks proefschriften die in 1995 op dit gebied verschenen zijn. Marcel de Kort promoveerde begin dit jaar in Rotterdam op een heel boeiende geschiedenis van het Nederlandse drugsbeleid, zoals die vooral tot uitdrukking komt in de wederwaardigheden van de Opiumwet (ingevoerd in 1919, gewijzigd in 1976) en in de pogingen van Nederland om te ontkomen aan de enorme druk van de Verenigde Staten om op wereldniveau tot een soort 'drooglegging' op het gebied van de verdovende middelen te komen. Wat dat betreft is er in meer dan 75 jaar tijd niet zo veel veranderd, al wordt het Nederlandse pleidooi voor een pragmatische en dus lankmoedige aanpak nu niet meer bepaald door eigen economische belangen bij de produktie van en handel in coca en opium.

'Destructief idealisme' was de term waarmee de dwingende houding van de VS hier werd omschreven. Daarin klinkt door dat de Verenigde Staten zich toen al, net als Nederland nu, graag de rol van gidsland, van mondiale moral entrepreneur, toeëigende. Het verschil is wel dat de Amerikanen ook de macht hebben - en gebruiken - anderen te dwingen hen te volgen. Ook als dat gebeurt in de vorm van internationale verdragen, laat dit zo weinig ruimte voor een afwijkende visie, dat Nederland bijvoorbeeld cannabis niet kan legaliseren zonder het gevaar te lopen als een soort Cuba te worden beschouwd. Bijlage III van de regeringsnota over het drugbeleid bevat wat dit betreft een benauwend juridisch praktijklesje gebrek aan nationale autonomie.

Het is pure retoriek om te wijzen op de grote afstand tussen de discussie over de voors en tegens van het zogeheten 'Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen', de internationale overeenkomst die ook het Nederlandse drugbeleid tot op grote hoogte bepaalt, en de harde werkelijkheid van het leven van de verslaafde. Het wordt al iets minder retoriek als het gaat om de afstand tussen de verslaafden en hun hulpverleners. Ook die afstand is en blijft groot. Het dichtst bij komen nog de straathoekerkers en de kwalitatieve onderzoekers, die de verslaafden opzoeken in hun eigen 'habitat': verwaarloosde flats en rommelige kraakpanden, sjoemelige hotels en cafe's, prostitutie-afwerkplekken, stations en winkelcentra. Dirk Korf hoort al sinds jaar en dag tot de weinige onderzoekers, die niet simpelweg meeliften met de hulpverlening, maar zelf op zoek gegaan zijn. Dat klinkt eenvoudiger dan het is, want waar en hoe moet je dan beginnen en hoe weet je of je een redelijk representatief beeld van de situatie hebt gekregen? Uit zijn proefschrift blijkt bovendien dat de drugsscene zelfs in relatief kleine steden uiteenvalt in heel verschillende groepen en subculturen met onderling vrijwel geen contacten.

Het belangrijkste onderscheid is natuurlijk dat tussen de wereld van de soft en van de hard drugsgebruiker, in het bijzonder van de heroïneverslaafde. Dat onderscheid is groter geworden door de komst van de coffeeshops, waarvan het aantal in Nederland nu geschat wordt op 1000 tot 1500, en het verdwijnen van de vaak door heroïnegebruikers gedreven straathandel in hasj en marihuana. Het aantal cannabisgebruikers is de laatste tien jaar zeker gestegen. Van de Amsterdammers tussen 20 en 24 jaar heeft de helft weleens cannabis gebruikt en ongeveer 14% in deze leeftijdsgroepen gebruikt het middel regelmatig. Dat is meer dan een aantal jaren geleden, maar veel minder - Korf maakt die vergelijking ook - dan het aandeel van de gewone rokers en de alcoholdrinkers in dezelfde generatie.

Harddrugs - cocaïne, heroïne, XTC - wordt door relatief weinigen regelmatig gebruikt. Er lijkt sprake van een soort cumulatief gebruik van 'lekkere' stofjes: heroïnegebruikers lusten en gebruiken ongeveer alles, vaak ook in grote hoeveelheden, maar we praten dan wel over minder dan 0,2% van de volwassen bevolking. Meer dan 80% van de volwassenen drinkt alcohol, ongeveer de helft van hen rookt ook en daarvan is er weer een klein deel dat regelmatig cannabis gebruikt. De maatschappelijke kosten (ziekte, hulpverlening, criminaliteit) zijn per persoon in het geval van de heroïnegebruikers zeer hoog, bij de rokers en drinkers per persoon zeer laag, maar door de veel grotere aantallen gebruikers in totaal toch weer zeer hoog.

Op het gebied van alcohol heeft Nederland een inhaalslag gemaakt, maar het gebruik per hoofd van de bevolking stijgt al jaren niet meer en is in vergelijking met Duitsland of België aan de bescheiden kant. Nederlanders roken wel weer meer, al is op dat gebied toch een enorme gedragsverandering opgetreden. In de jaren vijftig rookte zo'n 90% van de Nederlandse mannen boven de 15 jaar, nu is dat minder dan 40%. Hoe zal het gaan met marihuana, hasjiesj, cocaïne en heroïne? Het lijkt erop dat cannabis onder de rokers een blijvende en steeds minder leeftijdgebonden plaats gaat innemen. Ouderen stappen niet over, maar jongere ouderen houden de gewoonte aan en dat des te gemakkelijker, naarmate de coffeeshop meer de functie van de sigarenwinkelier op de hoek krijgt.

Cocaïne zal waarschijnlijk wel het al lang gevestigde karakter van een op individueel niveau gevaarlijke, luxueuze recreatie-drug behouden.

Heroïne lijkt na bijna 25 jaar nu toch op de terugtocht. Er zijn steeds minder jonge gebruikers en de oude gebruikers vallen terug op methadon, 'maturen out' of worden alleen nog zichtbaar in de mortaliteitscijfers. Het is een ervaringsfeit uit de hulpverlening dat een verslaving soms ook na lange tijd en veel vruchteloze afkick-pogingen toch opgegeven kan worden, meestal nog voor het veertigste levensjaar. De lol is ervan af of de noodzaak ervan valt weg, een ander levensdoel kan zich doen gelden. Met behulp van een in Nederland weinig gebruikte kwalitatief-sociologische methode, de analyse van levensverhalen zoals ze verteld worden, en psychologische theorieën over de persoonlijkheids- en identiteitsontwikkeling heeft Prins in zijn Rotterdamse proefschrift een interessante poging gedaan te laten zien hoe een verslaving tot stand komt, zich ontwikkelt en in een aantal gevallen ook weer als het ware natuurlijk aan zijn einde komt: 'maturing out'.

De mortaliteit onder drugsverslaafden, vooral onder de spuiters, is hoog. Dat is het centrale thema van het epidemiologische proefschrift van Van Haastrecht. De kans om als jong-volwassene (25-44 jaar) te sterven is in Nederland op jaarbasis ongeveer 0,1% . Onder druggebruikers is de sterftekans aanzienlijk veel groter, vijf tot zelfs bijna vijftig keer zo hoog. Dat laatste cijfer is een direct gevolg van de AIDS-epidemie.

Van een groep van bijna 500 intraveneuze druggebruikers overleed in een periode van ruim 4 jaar zo'n 14% . Van de seropositieve druggebruikers onder hen was in die periode 25% overleden en na 7 jaar bijna de helft. Ruim een jaar geleden werd vanaf het begin van de epidemie gerekend het totaal aantal HIV-besmette intraveneuze druggebruikers in Amsterdam geschat op 1280 (ruim een derde van de intraveneuze druggebruikers is seropositief). Daarvan waren er toen al 500 dood. Naar schatting zijn er in heel Nederland nu ongeveer nog 1400 seropositieve druggebruikers en het enige lichtpuntje lijkt te zijn, dat hun aantal niet meer lijkt te groeien.

    • Paul Schnabel