Archeologen ontdekken hoogoven op wind op Sri Lanka

Op Sri Lanka is een tot nog toe onbekend type hoogoven ontdekt. Deze werkte op wind en is vermoedelijk tot in de negende eeuw van onze jaartelling gebruikt. Mogelijk schuilt hierin een verklaring voor de vooraanstaande positie die Zuid-Azië al vroeg innam bij de staalproduktie.

Voor het smelten van ijzer is een eenvoudig vuur onvoldoende. Een hogere temperatuur kan behaald worden door extra lucht aan te blazen. Tot nog toe beschouwden archeologen de schoorsteen-hoogoven, waarin blaasbalgen voor een geforceerde trek zorgen, als het hoogtepunt van de vroege smelttechnologie. Maar in Nature (4 januari) beschrijft Gill Juleff de eerste windhoogoven. Dit type werd ontdekt in Samanalawewa, een heuvelachtig gebied op het centrale gedeelte van Sri Lanka. Hier heerst van juni tot september de passaat, een droge hete wind, die vrijwel altijd vanuit de zelfde hoek waait.

De meeste opgegraven ovens bevonden zich half ingegraven in de westhellingen van heuvels, waar ze blootstaan aan harde wind. De wind veroorzaakt een onderdruk boven de oven, waardoor een straal lucht in het vuur wordt gezogen.

De oven bestaat uit een permanente achterwand van gestapelde stenen en een tijdelijk gestapeld muurtje aan de voorkant, dat voor iedere lading opnieuw werd gestapeld. De afstand tussen voor- en achterwand bedraagt bij de meeste opgegraven oventjes niet meer dan een halve meter, de hoogte varieert van 35 tot 95 centimeter. Vermoedelijk werd er de eerste twee uur alleen houtskool in gestookt. Als de zaak voldoende warm was volgden afwisselend laagjes ijzererts en houtskool. Om het smeltproces te beëindigen werd de buitenmuur naar binnen geduwd en de hete erts uit de oven getrokken.

Praktijkproeven met een dergelijk type hoogoven wijzen uit, dat hiermee een harde kwaliteit staal met hoog koolstofgehalte valt te maken. Daarvan werden vroeger zwaarden en andere wapens gesmeed. Tot nog toe hadden archeologen verondersteld dat smeltovens met natuurlijke trek erg inefficiënt zijn. Dit blijkt dus erg mee te vallen.

In het gebied, dat rijk is aan ijzererts, zijn 139 hoogovens aangetroffen uit een periode die zo'n 2000 jaar omvat. De totale staalproduktie wordt geschat op tenminste 3500 ton per jaar.

Vermoedelijk is de Sri Lankese staalindustrie na de negende eeuw ten ondergegaan in een periode van voortdurende invasies uit Zuid-India, die politieke onrust en volksverhuizingen meebrachtten en het einde inluidden van de oude beschaving van het vroegere Ceylon.

    • Marion de Boo