Wereldbank zwakt kritiek op Shell in Nigeria af

ROTTERDAM, 3 JAN. Verarming van landbouwgronden door roofbouw en erosie, overstromingen, overbevissing, ontbossing, drinkwatervervuiling door het ontbreken of lekken van riolen en een gebrekkige afvalverwerking vormen in de Niger Delta (Zuid-Nigeria) een veel groter gevaar voor de bevolking dan de milieubeschadiging die optreedt als gevolg van de oliewinning.

Dit blijkt uit een recent rapport van de Wereldbank in Washington. Volgens de bank zijn de gevolgen van olie-activiteiten in Nigeria 'substantieel' merkbaar in een groot gebied, maar de olievervuiling zelf heeft slechts relatieve betekenis als alle milieuproblemen in de Niger Delta in aanmerking worden genomen.

Shell, de maatschappij die het leeuwedeel van de olieproduktie in Nigeria verzorgt, werd vorig jaar fel aangevallen door de milieubeweging. Greenpeace verklaarde op 31 oktober 1995, tien dagen vóór de executie van de Nigeriaanse schrijver en milieu-activist Ken Saro-Wiwa en acht medestanders: “Meer dan 30 jaar Shell-activiteiten hebben geresulteerd in een ontstellende aantasting van het milieu in Nigeria.” Saro-Wiwa, afkomstig uit Ogoniland, schreef zelf nog op 24 augustus in een ingezonden brief in de Britse krant The Guardian: “Aan de wortels van mijn inspanningen ligt Shell, dat de Ogoni-mensen dertig jaar lang heeft geëxploiteerd, belasterd en uitgeblust. De maatschappij heeft meer dan 30 miljard dollar uit Ogoniland geput en liet een compleet vernietigd milieu en een spoor van menselijke misère achter.”

Volgens de Wereldbank echter heeft onderzoek in de Niger Delta aangetoond dat alleen op plaatsen waar de bodem direct is vervuild door grote en herhaalde olie-lekkages, zich ingrijpende en langdurige milieuproblemen voordoen. De gevolgen van olievervuiling voor de gezondheid zijn niet substantieel, verwachten de onderzoekers. Niettemin moeten volgens de Wereldbank de kosten voor het voorkomen van olievervuiling, die naar verhouding niet hoog zijn, in de normale bedrijfskosten van oliemaatschappijen worden meegenomen, zoals het geval is in het grootste deel van de wereld. Als meer inspanningen worden verricht om toekomstige vervuiling te voorkomen en te beheersen, zullen de “onmiskenbare voordelen” daarvan “tamelijk hoog” zijn, aldus de onderzoekers.

Shell gaf in november al toe dat er veel verbeterd moet worden in zijn bedrijfsvoering in Nigeria, zoals het vernieuwen van pijpleidingen (een programma waaraan veel geld wordt besteed), het opruimen van lekkages en verbetering van de verhouding met lokale woongemeenschappen. Maar grosso modo verloopt de oliewinning, die de belangen van de Nigeriaanse bevolking dient, doelmatig, meent het bedrijf. Shell heeft tijdens de onlusten in 1993 zijn activiteiten in Ogoniland stopgezet en wil deze niet hervatten tot de maatschappij het vertrouwen van de bevolking heeft herwonnen.

Veel van de problemen in Nigeria, en zeker in Ogoniland, zijn volgens Shell terug te voeren op “het feit” dat de lokale bevolking te weinig terugziet van de olie-opbrengst uit het eigen grondgebied die de staat opstrijkt. MOSOP, de politieke beweging van de Ogoni's waarvan Ken Saro-Wiwa de leider was, zet zich in voor vergroting van het aandeel uit de opbrengst voor ontwikkeling van de regio en voor meer zelfbestuur van Ogoniland. Toen dat vorig jaar niet lukte werd Shell met steun van de milieubeweging aangevallen en deponeerde MOSOP een eis tot “schadevergoeding” van tien miljard dollar bij de oliemaatschappij.

Pagina 18: Shell weigert zich door milieubeweging te laten gebruiken

Shell weigert zich door MOSOP en de milieubeweging te laten gebruiken als breekijzer om invloed uit te oefenen op het Nigeriaanse bewind om de “deels gerechtvaardigde” eisen van de Ogoni's en andere lokale bevolkingsgroepen ingewilligd te krijgen. Shell beroept zich daarbij op zijn internationale business principles die onder meer zeggen dat de maatschappij zich strikt houdt aan de heersende wet- en regelgeving in de landen waar zij werkzaam is en zich niet bemoeit met de politiek.

Wel deed de president-directeur van Shell, drs. C. Herkströter, begin november een schriftelijk verzoek aan het Nigeriaanse staatshoofd generaal Abachi om de voorgenomen executies van Ken Saro-Wiwa en zijn medestanders op humanitaire gronden niet tot uitvoering te brengen. Maar het regime besloot het vonnis van een militair tribunaal toch te bekrachtigen.

In haar rapport zegt de Wereldbank geen eigen onderzoek te hebben verricht naar de mate van olievervuiling in Nigeria en de vraag in hoeverre die het gevolg is van sabotage. Volgens Shell wordt 35 procent van de lekkages van oliepijpleidingen en installaties in Nigeria veroorzaakt door moedwillige vernielingen, om claims voor compensatie bij de maatschappij te kunnen leggen. In Ogoniland is dat cijfer zelfs 70 procent, aldus Shell.

Op grond van eerder verricht onderzoek neemt de Wereldbank aan dat bij de meeste lekkages relatief kleine hoeveelheden olie vrijkomen en dat de schade zich meestal voordoet op industrieterreinen rondom olie-installaties of hun onmiddellijke omgeving. Wetenschappelijk bewijs van enige omvangrijke aantasting van het milieu langs rivieren of in de deltastaten van Nigeria bestaat niet, zegt de Wereldbank, maar zij acht de beschikbare informatie te beperkt. Een belangrijke verbetering acht de bank daarom een nieuw onderzoek, de Niger Delta Environmental Study, die door Shell wordt betaald maar geheel onafhankelijk van de maatschappij wordt verricht.

Het rapport van de bank somt ook een aantal fouten en tekortkomingen op van de Nigeriaanse overheid. Een van de belangrijkste beleidsfouten is, aldus de Wereldbank, het gebrek aan goed omschreven eigendomsrechten, waardoor de traditionele rechten van lokale gemeenschappen en van particulieren worden ontkend of genegeerd. Die onzekerheid ontneemt ondernemers elk enthousiasme tot het doen van investeringen.

De ernstige milieuproblemen die zich vooral in bevolkingscentra in de Niger Delta voordoen door het dumpen van afval worden volgens het rapport veroorzaakt door een gebrek aan duidelijke regelgeving. Bedrijven betalen niet het volle pond voor afvalverwijdering en het verbruik van grondstoffen en berekenen die kosten ook niet door in de prijs.

Kunstmatig lage binnenlandse prijzen voor Nigeriaanse ruwe olie hebben geleid tot een van de meest inefficiënte raffinaderijcomplexen ter wereld, die eigendom zijn van de staat. Verwerking van de olie tot brandstoffen en verwante industriële activiteiten leiden bovendien tot een veel te ruim grondgebruik, waarvoor bossen worden gekapt, omdat de schadevergoedingen veel te laag zijn. De natuurwaarde van deze bossen wordt 50 maal zo hoog geraamd als de tarieven die de (staats-)oliemaatschappijen ter compensatie betalen. Dit verwijt van de Wereldbank treft vooral de raffinaderijen en niet de particuliere maatschappijen die in Nigeria olie winnen en transporteren. Zij gebruiken in het winningsgebied tussen de 0,3 en 0,7 procent van het bodemoppervlak, inclusief de ruimte voor pijpleidingen, wegen en verzamelstations.

De Wereldbank legt ook sterke nadruk op de gebrekkige voorzieningen voor schoon water in Nigeria. Een van de belangrijkste oorzaken is dat betaling voor het gebruik van water, waarvan de prijs ver beneden de produktie- en reinigingskosten ligt, vaak niet wordt gecontroleerd, waardoor overmatig gebruik en vervuiling worden gestimuleerd en investeringen in een goede watervoorziening achterblijven.

Eerste prioriteit in Nigeria moet volgens de Wereldbank verbetering van de drinkwatervoorziening, sanitaire voorzieningen, riolering, afvalwaterzuivering en afvalverwerking zijn. Ziekten die met de watervoorziening en onvoldoende hygiëne verband houden, zijn met 80 procent van het totaal de grootste bedreiging van de gezondheid. Malaria is veruit de meest voorkomende ziekte, gevolgd door diarree. Volgens ramingen van het federale ministerie van gezondheidszorg hebben slechts 20 tot 24 procent van de plattelandsgemeenschappen en 45 tot 50 procent van de stedelijke gebieden de beschikking over veilige drinkwaterbronnen.