Veranderingen

Het zou wel grappig zijn als je kon denken dat die KPN-advertentie Henk van Os toch is opgebroken, en dat hij daarom vertrekt als directeur van het Rijksmuseum. Die paginagrote kleurenfoto, waarop hij zo diabolisch lachte. Op de achtergrond stond Rembrandts schilderij van Johannes Uyttenboogaard, de belangrijkste aanwinst van het Rijks in Van Os' regeringsperiode, tussen verfblikken en stokdweilen tegen een muur geleund. Dat ze bij de nationale schatkamer zo idioot omspringen met hun kostbare bezit was de eerste onfortuinlijke boodschap van die advertentie. De tweede sprak uit de tekst: de vreugde dat er niet meer zoveel buitenlandse bezoekers komen, hun aandeel was teruggedrongen tot de helft, goddank.

Dat was natuurlijk allemaal heel anders bedoeld en werd door de meeste mensen waarschijnlijk ook zo begrepen. Maar bovendien, Van Os' vertrek bij het Rijksmuseum is helemaal geen afgang, het is juist een opgang naar nog veel verhevener sferen. Zijn taak op de museumvloer is volbracht, liet hij zelf in de donkere dagen na Kerstmis weten. Vanaf eind 1996, zo bevestigde het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam, zal hij het ambt bekleden van algemeen hoogleraar, los van - ja, bóven - vakgroepen en faculteiten. Laten de gewone kunsthistorici maar voortploeteren met hun bestuurslast en het onderwijs, Van Os mag zich geheel onthecht richten op 'de bestudering van de relatie tussen kunst en media, de popularisering en het verhalen' van kunst.

Het is onrechtvaardig, maar we mogen nog van geluk spreken dat Van Os niet iemand is die met populariseren bedoelt dat twintig kunstenaars uit Stadsdeel Zuid hun door de Nachtwacht geïnspireerde maaksels in de Erezaal mogen exposeren. Of dat er een Miss Melkmeisje-van-Vermeerverkiezing wordt gehouden, met als hoofdsponsor het Nederlands Zuivelbureau.

Nee, hij bedoelt gewoon dat hijzelf het Nederlandse volk van alles wil vertellen; en dat men er graag naar luistert is al gebleken. Zelfs de vanitas die zo'n charismatische persoonlijkheid nu eenmaal aankleeft doet de zaak van de kunst in Nederland geen kwaad. En wat betreft de relatie tussen kunst en media, het is nu eenmaal bon ton om over zulke dingen diepzinnig te doen, in plaats van te zeggen dat er gewoon meer van het een in het ander moet komen.

Overigens is er de laatste jaren toch al van alles veranderd tussen kunst, media en publiek. Nog minstens twee andere museumdirecteuren werden mediasterren: het was prachtig om te lezen hoe een van hen, Rudi Fuchs, er via de verslaggever van de Volkskrant in slaagde zijn vertrekkende collega met beleefde loftuitingen toch uit te schelden voor een verkoper, en iemand die eigenlijk niet in een museum hoort.

Ook hebben we de BKR afgeschaft, we hebben in het Noorden van het land een museum vermomd als pretpark, en kunstenaars worden steeds vaker genoemd in de roddelpers. Maar ook in de nette pers wordt meer dan ooit - en met gevarieerder opinies - gediscussieerd over kunst.

Nieuw is daarbij dat het idee van 'kunst moet' (zoals veel saaie dingen nu eenmaal moeten: tandenpoetsen, huiswerk, echtelijke trouw) terrein verliest. Het adagium dat in opkomst is luidt: 'Kunst moet leuk zijn'. Begrijpelijk of niet, kunst moet er op z'n minst leuk uitzien, vermaken, iets aanrichten, en natuurlijk spannend zijn.

In de handen van de minder begaafde meerderheid in de kunstwereld leidt zo'n adagium tot vreselijke resultaten - maar welk idee doet dat niet?

In de wereld van de serieuze kunst daarentegen heeft het iets verfrissends. Leuk is een dom woord, maar als motto is het te verkiezen boven verheffend, laat staan grensverleggend. Als kunst leuk mag zijn, verdwijnt het taboe op decorativiteit. Ook herkenbare voorstellingen, zelfs heel traditionele, zijn dan weer toegestaan. De negentiende eeuw kan weer zonder meewarigheid worden bekeken, en de kunstpriesters hebben niet langer de waarheid in pacht.

Dat zijn (of worden) alvast veranderingen ten goede in de kunstwereld. De rest van het jaar moeten we maar nadenken over nog een beter woord dan 'leuk'. Zou 'mooi' iets zijn?