Straatoperette op celluloid in De Oliveira's 'A caíxa'

A caíxa. Regie: Manoel de Oliveira. Met: Luis Miquel Cintra, Isabel Ruth, Beatriz Batarda, Diogo Dória. In: Amsterdam, Rialto; Breda, Chassé Cinema.

Is het niet vreemd, dat ik aan Fassbinders Querelle moest denken bij de eerste beelden van A caíxa? De politie-agent die 's nachts dronken de trappen van een straatje in Lissabon opwaggelt, lijkt toch in niets op de tere Franco Nero noch op de robuuste Brad Davis uit Querelle? En volgens de titelrol van A caíxa krijgen we in deze film “de realiteit van een oude volkswijk” te zien. Dat is toch heel andere koek dan de opzettelijk obscene decadentie van het havenkwartier in Fassbinders film?

De verwantschap zit in de stilering. De politieman die zo nadrukkelijk omhoogzwalkt tussen de leuningen van de trap, tot hij onder stilstaat bij een muurreliëf van Christoforus die Christus op zijn schouder torst, is even 'onecht' als de smetteloos witte kapitein die de matroos Querelle achterna slentert. Het messengevecht dat in beide films de climax vormt, tonen de twee regisseurs als een toneelstukje waarin slachtoffer en dader ieder hun rol spelen.

Verder gaat de overeenkomst niet - en dat is geen compliment voor Manoel de Oliveira. Terwijl Fassbinder zijn visie onweerstaanbaar aan het publiek opdrong, kon ik niet ontdekken waarom de Portugese regisseur ons het verhaal van A caíxa (het kistje) wil vertellen.

Het collectekistje is de bron van inkomsten voor een oude blinde man, die inwoont bij zijn sloverige, kiftende dochter en zijn luie schoonzoon (aan clichés geen gebrek). Het recht op zo'n kistje, dat hem als blinde van overheidswege is toegekend, benijden de andere straatbewoners hem: de oma, de schoenpoetsertjes, de bonenverkoopster en de verveelde mannen in het café. Die blinden hebben het maar goed, vinden ze.

Het benijden loopt uit op een drama: kistje gestolen, mannen gedood, schoonzoon in de gevangenis en de dochter getransformeerd in een buurtheilige. Met een beetje goede wil valt er misschien wel 'een aanklacht tegen de menselijke hebzucht' in te ontwaren, maar belangwekkend wordt het nooit. Des te zwaarder moet de vorm wegen.

De Oliveira, hier vooral bekend om zijn gezongen film Os canibais uit 1988, is stijlvast, zoveel is zeker. De vastgeklonken camera, de steeds herhaalde kaders, de nadrukkelijk aanwezige muziek en het overdreven acteren zijn handelsmerken van de inmiddels 87-jarige regisseur. Het resulteert steevast in theater op celluloid.

Ook A caíxa is een staaltje straatoperette van het zuiverste water. Rollende ogen en pathetische kreten: veel 'Mijn kind!' en 'Mijn God!'. Met een magisch moment, zoals in de meeste van zijn films. Dit keer komen op de nacht na het dramatisch hoogtepunt jonge danseresjes in gouden tutu's uit de huizen. Er is vast een reden voor, maar die moet dan zo verzonnen worden, dat ze me ook niet veel kan schelen. Toen het laatste beeld zwart werd, was de film vervlogen zonder indruk na te laten.

A caíxa (gemaakt in 1994) gaat in Nederland in première op het moment dat een aantal filmtheaters een retrospectief van De Oliveira organiseert. Daar is ook zijn debuut uit 1942 voor het eerst te zien, Aniki Bóbó. Deze jeugdfilm over een groepje schoolkinderen draagt al duidelijk de handtekening van de regisseur van A caíxa, al is de camera hier nog wat beweeglijker dan later. Ook al kan die stijl me niet bekoren, de consistentie van zijn werk is groot.

    • Bas Blokker