Politie onder vuur

DE JAARWISSELING was ooit voor de secretaris-generaal van het departement van economische zaken aanleiding voor een toespraak die iets weg had van een alternatieve troonrede. Het waren betogen waarnaar de kenners met enige spanning uitkeken, maar ze stonden natuurlijk wel op gespannen voet met het primaat van de politiek. Zeker het links-liberale kabinet probeert daar de hand aan te houden.

Het eigen ambtelijke geluid valt echter niet zo eenvoudig weg te poetsen. Zo hebben ook dit jaar de hoofdcommissarissen van met name de vier grote politiekorpsen royaal het nieuws gehaald. Dat hoort bij de sociale signaalfunctie van de politie, die te lang is genegeerd. Er is in dit land ooit zelfs moeilijk gedaan over een eigen briefhoofd voor het beraad van hoofdcommissarissen. Tegenwoordig wordt de eigen plaats van politiechefs in het zogeheten driehoeksoverleg met de burgerlijke gezagsdragers (burgemeesters en officieren van justitie) in de wet erkend.

Inhoudelijk viel de politiële boodschap dit jaar tegen. Over de hele linie zetten de korpschefs zich af tegen de parlementaire enquête over opsporingsmethoden. Er wordt de nadruk op gelegd dat het slechts een fractie van de totale Nederlandse politie-organisatie betreft. Daarmee miskennen de politiechefs het belang van deze aangelegenheid als gidskwestie, die half Nederland een schok heeft bezorgd. Dat geldt ook voor hun eigen mensen. De befaamde Amerikaanse korpschef Patrick Murphy signaleerde al hoezeer in het politieapparaat een overgrote meerderheid zijn oren laat hangen naar een klein percentage trendsetters. DE 'SECTIE STIEKEM' (CID, IRT) heeft deze informele gidsfunctie de afgelopen jaren onmiskenbaar vervuld. En de leiding zat er bij en keek er naar, voorzover zij zich niet onledig hield met Hoekse en Kabeljauwse twisten. Dat geldt zeker niet alleen voor de politiechefs, maar ook voor het openbaar ministerie. En vergeet de rechters niet die heel wat buitenissige opsporingsmethoden hebben gebillijkt, of er in elk geval geen lastige vragen over hebben gesteld - evenals trouwens de Tweede Kamer als medewetgever en controleur. Er ligt kortom nog een heel mijnenveld waar de parlementaire Commissie-Van Traa door heen moet voordat zij met haar rapport komt.

De openbare hoorzittingen van Van Traa cum suis hebben wel de rituele klacht doorgeprikt dat politie en justitie in het beklaagdenbankje zijn geplaatst waar eigenlijk anderen thuishoren. “Niet de enquête ontluisterde”, vermaande de nieuwe super procureur-generaal Docters van Leeuwen onlangs met reden, “maar de door de enquête aan het licht gebrachte feiten en omstandigheden.” De hoofdcommissarissen hadden zich beter kunnen spiegelen aan het Tijdschrift voor de politie dat in het commentaar bij de jongste aflevering opmerkt: “Het is maar goed dat een aantal vergroeiingen nu blootgelegd is en hopelijk niet verder kan woekeren.”

DE NIEUWJAARSTOESPRAKEN van de politiechefs vormen een treffende illustratie bij een indringend rapport dat de Stichting maatschappij en politie onlangs uitbracht onder de titel Toekomst gezocht. Daarin wordt gesproken over een crisis bij de politie - en zeker niet alleen wegens de IRT-enquête. Een citaat: “Men hoort - zeker van de top - dat het allemaal goed gaat, terwijl de geluiden die men verder uit de organisatie hoort juist laten zien dat het allemaal niet zo rooskleurig verloopt en dat er nog een overvloed aan problemen is.” Een vingerwijzing waaraan de top zich weinig gelegen laat liggen.