Niet alle onderwijsvrijheid is welkom

De filosoof Cliteur beklaagt zich over de kwaliteit van het debat over de vrijheid van onderwijs. Aan de centrale vraag wordt volgens hem voorbijgegaan: wat is vandaag de dag (nog) de betekenis of waarde van de onderwijsvrijheid? Die is gelegen, zo betoogt Cliteur (NRC Handelsblad, 21 november), in seculiere beginselen als individualisme, zelfbeschikking, tolerantie en pluralisme. Ziedaar, een eigentijds en paars pleidooi voor onderwijsvrijheid.

Cliteurs klacht over de oppervlakkigheid van de discussie is terecht: het gaat weer om de bestuurlijke moeilijkheden en de meerkosten van het dubbele (openbare en bijzondere) onderwijsbestel. Wat doen die extra lasten ertoe als de onderwijsvrijheid ons bijkans alles waard is? Zijn vraag, naar de waarde en de betekenis van de onderwijsvrijheid, is inderdaad belangrijk. Maar anders dan Cliteur meent is het niet de hamvraag, zeker niet in de Nederlandse verhoudingen. De meest dringende kwestie is: hoeveel onderwijsvrijheid kan de democratie verdragen?

Hoe seculier ook gerechtvaardigd, de vrijheid van onderwijs staat op gespannen voet met een plurale, liberale en sociale democratie, tenzij ze wordt begrensd en aan voorwaarden gebonden. Wat de grenzen en de voorwaarden zijn, dàt is de vraag waarop een eigentijdse en paarse benadering van onderwijsvrijheid antwoord moet vinden.

Oppervlakkig bekeken bijten onderwijsvrijheid en democratie elkaar niet. Integendeel, de moderne democratie is idealiter liberaal en pluraal. Ze erkent en beschermt vrijheden van individuele burgers en ze eerbiedigt culturele en levensbeschouwelijke verscheidenheid. Vrijheid van onderwijs honoreert het vrijheidsrecht van ouders om hun kinderen overeenkomstig eigen waarheden en waarden op te voeden en te doen opvoeden (ouderrecht), en ze biedt de nodige ruimte aan verschillen tussen groepen met eigen levens- en zienswijzen (pluraliteit).

Maar bij nadere beschouwing is de verhouding tussen onderwijsvrijheid en democratie problematisch. “Een overheidsvrije sfeer waarin ouders hun kinderen naar eigen inzicht kunnen laten vormen” is niet zonder risico voor de democratie, want sommige levensbeschouwingen hebben weinig op met zelfbeschikking, met gelijkwaardigheid ongeacht sekse, godsdienst, geaardheid of ras, en met pluralisme en respect voor andere levens- en zienswijzen. En sommige pedagogieken, leerplannen en onderwijsmethoden zijn eerder fnuikend dan bevorderlijk voor vrijheid, gelijkheid en verdraagzaamheid.

Er zijn daarom ten minste vier redenen waarom een plurale, liberale en sociale democratie voorzichtig moet zijn met onderwijsvrijheid.

Ten eerste: onderwijs kan het zelfstandige denken en de zelfredzaamheid van kinderen beperken of frustreren in plaats van oefenen en verruimen. De democratische overheid dient kinderen van zulk onderwijs te vrijwaren, want ze behoort niet alleen de actuele vrijheid van de ouders te beschermen maar ook de toekomstige zelfbeschikking van hun kinderen.

Ten tweede: men kan kinderen zó onderrichten, dat ze onverdraagzaam worden jegens representanten van andere levens- en zienswijzen of dat ze onbekend blijven met wat anderen bezielt en beweegt. Dat zou intolerantie en onbegrip kweken. De democratische overheid dient ook zulk onderwijs tegen te gaan.

Ten derde: cruciaal kenmerk van de democratie is een brede politieke participatie. Om zinvol te participeren zijn bepaalde vaardigheden en inzichten vereist, evenals kennis van relevante zaken en enige algemene ontwikkeling. Hiervoor zijn kinderen aangewezen op adequaat onderwijs. Te weinig overheidsbemoeienis en een te ruime overheidsvrije sfeer brengen het risico met zich mee dat niet alle kinderen de gelegenheid krijgen om voldoende te leren. De toekomst van de democratie is in het geding.

Ten slotte: in een van de techniek doordesemde cultuur en een gecompliceerde maatschappij is onderwijs een basisbehoefte. Leven zowel als samenleven gaat daarin nu eenmaal moeilijk zonder leren. Voldoende onderwijs geldt dan ook als grond voor fundamentele mensen- en kinderrechten. Neemt de democratie naast haar plurale en liberale aard ook haar sociale aard serieus, dan zijn de basisbehoeften van ieder kind de overheid een zorg. Te veel onderwijsvrijheid kan de uitvoering van deze zorgtaak in de weg staan.

Onderwijsvrijheid en democratie gaan dus niet zonder meer en vanzelf samen. Merkwaardigerwijs ziet Cliteur deze spanning over het hoofd. Of hij onderschat de consequenties. Wel onderkent hij dat er, juist ter wille van de blijvende mogelijkheid van pluformiteit, grenzen zijn aan de door de overheid te respecteren pluformiteit: “Democratie, gelijkheid, vrijheid, tolerantie en respect kunnen niet ter discussie staan”. Maar hij miskent hoezeer alleen al deze “verkeersregels” de ruimte voor onderwijsvrijheid beperken.

De democratie verdraagt onderwijsvrijheid alleen tot op zekere hoogte. Wat de grenzen en voorwaarden zijn, laat zich afleiden uit de risico's. Grofweg en kortweg: de overheid mag en moet erop toe (kunnen) zien dat onderwijs bijdraagt tot ontwikkeling van zelfstandig denken en respect voor andersdenkenden en anderslevenden, en tot verwerving van de kennis en vaardigheden die nodig zijn voor zinvolle participatie in het politieke en maatschappelijke leven en voor zelfstandig leven überhaupt. Voor zover onderwijsvrijheid zulk toezicht en deze bemoeienis niet duldt, is ze ongepast in de democratie. Voor zover wel, is er niks mis mee, ook niet met bijzonder onderwijs en schoolkeuzevrijheid.

Wat dringend studie en bespreking verdient, is de vraag of de Nederlandse onderwijsvrijheid zo gemeten niet te ruim is. Ik heb de indruk van wel. Onze onderwijsrechtelijke en -politieke systematiek biedt naar mijn mening te veel gelegenheid voor onderwijs dat in een of meer van de aangeduide opzichten niet voldoet of deugt, en geeft de overheid te weinig gelegenheid voor de nodige bemoeienis en het nodige toezicht. Mocht dit inderdaad zo zijn, dan is hervorming geboden.

De conclusie laat zich raden. Hoofdtaak voor een eigentijdse en paarse benadering is niet rechtvaardiging, maar problematisering van de onderwijsvrijheid op grond van algemene waarden als zelfbeschikking enpluralisme. Hoofdvraag wordt dan vanzelf: is onderwijsrechtelijke en -politieke hervorming nodig en zo ja, hoe moet die er uitzien?