Korpschefs: Politiewet 1993 snel veranderen

ROTTERDAM, 3 JAN. De hoofdcommissarissen van politie van Amsterdam en Rotterdam, Nordholt en Hessing, vinden dat opnieuw moet worden gesleuteld aan de organisatie van de politie.

In hun nieuwjaarstoespraken uitten de korpschefs hun onvrede over de Politiewet 1993 en over het resultaat van de bijbehorende reorganisatie. Beiden betoonden zich een warm voorstander van de vervanging van de regionale door een provinciale politie.

Volgens de Rotterdamse hoofdcommissaris Hessing zijn bestuur en beheer van de politie door de reorganisatie zo complex geworden, dat de winst van de veranderingen wordt tenietgedaan. Deze lag vooral in de vereenvoudiging die werd bereikt door 148 korpsen gemeente- en rijkspolitie om te vormen tot 25 regionale korpsen.

Ook de democratische controle van de politie wordt volgens Hessing in de wet niet goed geregeld. Hij pleitte voor een snelle politieke evaluatie van de Politiewet.

Nordholt zei weliswaar blij te zijn met de “stabiliteit en consolidatie” in zijn korps door de afronding van de reorganisatie, maar achtte een snelle invoering van een provinciale organisatievorm niettemin nodig “om de gewenste coördinatie en afstemming, doelmatigheid en slagkracht te bereiken”. Burgemeester Ouwerkerk van Groningen daarentegen was van mening dat de politie eerst de tijd moet krijgen om de reorganisatie goed af te ronden, voordat er weer nieuwe veranderingen worden doorgevoerd.

Hessing klaagde in zijn nieuwjaarstoespraak voorts over de geringe flexibiliteit van de politie. Onderbezetting in de nacht en in het weekeinde is bij de politie al jaren een groot probleem. Hessing pleitte voor arbeidstijdverlenging om het probleem te lijf te gaan. Hij noemde het “vreemd” dat er op dit moment een trend van arbeidstijdverkorting is, terwijl er anderzijds veel politiemensen zijn die in hun vrije tijd een tweede baan hebben.

Deze bijbaantjes komen volgens Hessing vooral voor bij jonge politiemensen met gezinnen met opgroeiende kinderen. Als voorbeelden noemt hij het besturen van een toeristenbus naar Spanje, een baantje bij een informatiseringsbedrijf of het tegen betaling spelen in een muziekband. “Dan zeg ik: Als die behoefte er is, geef mensen dan ook de gelegenheid om langer in hun hoofdfunctie te werken.”

Korpschef Van Hoorn van regio Brabant-Noord gebruikte zijn nieuwjaarsrede om zijn zorg uit te spreken over de opkomst in veel steden van zogeheten “toezichthouders”, geüniformeerde ordebewakers die niet in dienst zijn van de politie. Hij waarschuwde ervoor dat de ordebewakers door het publiek voor agenten kunnen worden aangezien. “Als een gemeente extra middelen over heeft voor dat soort toezicht zijn er twee keuzemogelijkheden: of men vraagt de politie om het te doen, of de gemeente doet het zelf met speciaal daarvoor in overheidsdienst aangestelde toezichthouders. Uitbesteding aan particuliere bedrijven zou in ieder geval niet langer tot de mogelijkheden mogen behoren.” Toezicht met dwangmiddelen om de naleving van voorschriften af te dwingen is van oudsher een overheidstaak. “Dat moet ook zo blijven”, aldus de Brabantse korpschef.