Het leven bestaat voor een groot deel uit oude plannen

Weten hoe het komt, doe ik niet. Maar de laatste van de laatste is niet mijn dag. Misschien doordat hij zo rücksichtslos verplichtend is. Je moet Monopoly spelen; of juist naar Van 't Hek kijken. Hoe dan ook moet en zul je deel uitmaken van het gezinsverband. Maar je vindt het ook een krankzinnige gedachte dat je dochter na al dat gewacht op het volmaakt betekenisloze tijdstip, 00.00 uur, nog naar een of andere disco wil. Is ze nou helemaal betoeterd? Veertien jaar oud, en de prompt aangebroken nacht willen behandelen als zo maar een weekend- en/of vakantienacht? Ook weer niet goed. Wat een prettige dag, vergelijkenderwijs, is dan die eerste januari. Waarop er niets hoeft.

Er is niets gepland en de systematische ijzel draagt ertoe bij zelfs dat ene mogelijke familiebezoek niet te brengen. Ja, wat een prettige dag. Zo nu en dan eet men, staande voor het raam, nog een oliebol en houdt er verder geen agenda op na. Ook genoot ik de hele dag door van het intens rustige, zorgvuldig identiek gehouden nieuws. De hele dag hetzelfde nieuws! Dat uit niets anders bestond dan uit ijzel en nog eens ijzel plus een welgemeende waarschuwing het huis toch vooral niet onnodig te verlaten. Het was een waarschuwing waaraan zo grondig gehoor werd gegeven door de Nederlandse bevolking dat in de namiddag door de politionele verkeersoom of tante in Driebergen geadviseerd werd om iets meer auto te rijden, omdat het strooisel nu niet meer tot zijn ware werking kwam. Heerlijk dus, zo'n dag van niks. Ene dochter begaf zich naar vriendin, andere dochter wierp zich op kunstbeoefening, vrouw kreeg - uiterst zeldzame - groteschoonmaakgedachten en leegde zekere kast, welke vervolgens het voorrecht verkreeg van behandeling met boenwas. En ik? Ik las het bijbelboek Amos, pogend greep te krijgen op dat furieuze monotheïstische moralisme van de profeet en zijn god. Waarom Amos? Helaas, dat doet er in dit verband niet zo veel toe. Misschien een andere keer. Tussendoor schreef ik zo af en toe een brief aan deze of gene. Mijn enige goede voornemen had uitsluitend terugwerkende kracht. Het bestaat uit de hoop dat ik geleidelijkaan het moment zal weten te naderen dat naar ik vrees al bijna anderhalf jaar achter mij ligt: waarop de eerste onbeantwoord gebleven brief me bereikte. In een volgend leven zal ik rijk en zorgeloos genoeg zijn om zulke taken te delegeren aan een secretaris. Ik zal bij voorbeeld zeggen: doe deze mevrouw een antwoord van het type drieëndertig, warmtegraad twee. Of: prefabtekst romeinse drie, maar zo persoonlijk mogelijk geformuleerd, spijtgraad zeven. Uiteraard heb ik de illusie gehad - het leven bestaat voornamelijk uit oude plannen die als evenzovele kanonskogels, per ketting aan de enkel bevestigd, achter een mens aan slepen -, natuurlijk heb ik de illusie gekoesterd schoon schip te maken, in die paar dagen, met een heleboel brieven van zowel bevriende als volstrekt onbekende zijde. Dagen van gebrek aan zelfkennis. In mijn graf zal mij hopelijk het benodigde schrijfgerei meegegeven kunnen worden. Als de mensen nou eens niks meer zouden verwachten: wat een geluk zou dat zijn. Je stuurt iemand een brief, maar slaagt erin jouw Sache (dat wil zeggen de verwachting van een antwoord) auf nichts zu stellen. Je leest een brief, maar voelt geen enkele beklemming bij zoveel vriendelijkheid. Zou het mogelijk zijn zonder enige claim te leven? Ja, in een goed klooster misschien. En anders wel in een kluis. Maar heremiet, dat kan altijd nog. Daar wou ik liever nog wat mee wachten. Hoe dan ook, de bekende eerste correctie is alweer aangebracht. Ik dateer mijn eerste brief en doe het natuurlijk verkeerd. Zou er iemand zijn die erin slaagt meteen al aan de eerste brief het enig juiste jaartal mee te geven? In mijn hoofd mag het al wel zo ver zijn, in mijn hardleerse hand moet het zijn intrek nog nemen, het nieuwe jaar. Zou het mogelijk zijn zonder enige claim te leven?

    • Nicolaas Matsier