'Een buitengewoon smakeloze grap'

Als ik me niet vergis, zijn de reacties op de oudejaarsconference van Youp van 't Hek wat heftiger dan zes jaar geleden toen hij met de jaarwisseling zijn eerste tv-conference hield. Het grote publiek heeft kennelijk wèl genoten - de kijkdichtheid was twintig procent, 2,7 miljoen kijkers dus, en de waardering 7,7 - maar er zijn dit keer ook zeer afwijzende geluiden.

Dat verbaast me niet helemaal, want toen ik het programma een maand geleden in de zaal zag, bracht Van 't Hek ook al die grap over het koningshuis. Nu mag je in Nederland overal grappen over maken, maar wie over het koningshuis begint, schaatst op dun ijs. De beschuldiging van majesteitsschennis ligt altijd op de loer. In zekere zin mag Van 't Hek blij zijn dat Janmaat nu met die beschuldiging komt, want wie neemt Janmaat serieus?

Maar er is méér aan de hand. Ik kan me niet herinneren dat de Rijksvoorlichtingsdienst ooit geschokt heeft gereageerd op de conferences van Wim Kan, maar vanmorgen doet ze dat opeens wèl in de Volkskrant bij monde van haar woordvoerster A. van Vonderen. Zij zegt: “Ik vind die grap buitengewoon smakeloos. Hij mag zoiets kennelijk zeggen, maar ik vind het zeer choquerend. Verder geven we geen commentaar op grappen en grollen, dat doen we nooit.”

Nooit - behalve nu.

Laten we, voor er mythevorming optreedt, even die grap nader bekijken. Op de keper beschouwd is het helemaal geen grap over het koningshuis, maar een uitval naar het publiek dat tegenwoordig door niets meer te choqueren valt. Alleen beelden van kroonprins Willem-Alexander die op de Dam zijn moeder bevredigt - dat zou ons nog een rimpeling van huiver kunnen geven. Dat is alles wat Van 't Hek in dit verband wil zeggen.

Majesteitsschennis? Het is eerder een geval van publieksschennis in de meest royale zin. Hier spreekt iemand die zijn vertrouwen in de mensheid zo ongeveer heeft opgegeven. Daarom had hij ook een citaat van Louis Ferdinand Celine als motto aan zijn programma meegegeven: “Er is maar één waarheid op deze wereld, dat is de dood. Het is sterven of liegen. Iets anders is er niet. Ik heb nooit de moed gehad om mij van kant te maken.”

Bij Celine vind je veel van dat soort uitspraken. Celine was nu eenmaal een superieur soort conferencier-op-papier.

“We zijn zo onbenullig dat afleiding eigenlijk het enige middel voor ons is om niet te sterven.”

“We zijn niets anders dan een pak lauwe en halfverrotte darmen en daarom zullen we altijd wel moeite hebben met ons gevoel. 't Is niet moeilijk om verliefd te zijn, maar hou 't nou maar 's bij elkaar uit, dat is heel wat lastiger.”

“De wereld is alleen in staat je te vermorzelen, door zich op jou om te draaien, zoals iemand die zich in zijn slaap omdraait zijn vlooien verplettert. 't Zou wel erg stompzinnig zijn om zo te sterven, zei ik tegen mezelf, dat wil zeggen, zoals iedereen. Vertrouwen hebben in mensen betekent dat je je al een beetje laat doden.”

Allemaal Celine. En ook allemaal een beetje Van 't Hek, vermoed ik.

Inmiddels wordt Van 't Hek ook op die levensvisie aangevallen, en door mensen die heel wat serieuzer te nemen zijn dan Janmaat. John Jansen van Galen, commentator van Het Parool, noemde het gisteravond “het vocabulaire van de opgeblazen dramatiek, de heroïek van het jongensboek”. Het citaat van Celine was voor hem “de weergave van een buitengewoon eendimensionale levensbeschouwing”.

Van 't Heks collega Freek de Jonge ging nog een paar stappen verder in zijn nieuwjaarsconference op de VPRO-radio. “Liegen of sterven bralt de fascistoïde romanticus, en de enige komiek waar het volk nog naar luistert kakelt hem na. Niemand is treuriger dan de populaire komiek die, door zijn imago gedwongen, zijn gevoel voor humor aanwendt om te kwetsen.” (Ik ontleen dit citaat aan de Volkskrant van vanmorgen.)

“De enige komiek waar het volk nog naar luistert” - tsjonge, ik proef nogal wat zure druiven achter die opmerking van een collega. Niets is treuriger dan de komiek die over een populairdere komiek zegt dat zijn gevoel voor humor niet in orde is.

Maar nog afgezien van de klassieke beroepsnijd: waarom zou een cabaretier niet mogen kwetsen? Het is een van de functies van de satiricus, en zeker als hij op het einde van het jaar over zijn schouder terugkijkt. Trouwens, sinds wanneer mag er van Freek de Jonge niet meer gekwetst worden? De programma's en interviews waarin hij ooit met verve en veel humor naar hartelust kwetste, staan mij nog helder voor de geest. Of heeft hij daarvan, tegelijk met zijn politieke bekering, óók afstand genomen? Dat mag, maar het zou hem wel tot enige terughoudendheid moeten manen bij het beoordelen van collega's.

Cabaretiers zijn geen filosofen - als ze louter die pretentie hebben, worden ze algauw vervelend. Ze mogen van mij “een buitengewoon eendimensionale levensbeschouwing” hebben. Als hun grappen maar goed zijn. Hun moralisme - ook dat van Youp van 't Hek - neem ik dan op de koop toe.