Vrieskou blijft, maar gladheid door ijzel zal langzaamaan afnemen

ROTTERDAM, 2 JAN. De hinder die de ijzel het afgelopen weekeinde voetgangers, fietsers, automobilisten en andere verkeersdeelnemers bezorgde, zal de komende dagen geleidelijk afnemen.

Het blijft in vrijwel het hele land vriezen, maar er valt geen nieuwe neerslag. De ijzel die er nu ligt, zal beetje bij beetje door weggebruikers worden weggereden. Bovendien is de lucht droog en kan de ijzel 'sublimeren': door de droge lucht gaat het ijs over in een zogeheten 'dampfase'.

IJzel komt elke winter wel voor, meestal aan het eind van een vorstperiode, wanneer de vorst diep in de grond zit. Er zijn twee soorten ijzel die op de grond voor verkeersdeelnemers dezelfde uitwerking hebben: gladheid. IJzel kan ontstaan doordat waterdruppels met luchttemperaturen boven nul (niet-onderkoelde neerslag) bevriezen wanneer ze neerkomen op voorwerpen of oppervlakten die onder het vriespunt liggen.

IJzel kan ook ontstaan wanneer waterdruppels afkomstig uit een relatief warmere luchtlaag afkoelen in een koudere luchtlaag voor zij de grond bereiken. De druppels bevriezen in die onderste luchtlaag nog niet, maar pas zodra de zogeheten 'dampspanning' wordt verbroken door contact met de grond. In dat geval spreekt men van 'metereologische ijzel'.

Hoewel geen 'echte' ijzel, kan ook zogeheten 'aanvriezende mist' gladheid veroorzaken. Vochtige mist kan neerslaan op de grond en opvriezen waardoor 'rijpaanslag' wordt veroorzaakt.

Het is vooral het tweede type van de onderkoelde neerslag dat een dikke laag ijzel kan vormen, waardoor zelfs hoogspanningskabels, bovenleidingen voor treinen en takken van bomen kunnen breken. Dit was het geval tijdens de extreme ijzel in maart 1987, toen zich in het noordoosten van Nederland een laag van drie centimeter ijzel vormde. Ook in 1978-1979 was er een ijzelperiode. Verder ijzelde het ook in het eerste weekeinde na nieuwjaar in 1995, een jaar geleden.

IJzel kan op enkele manieren worden bestreden: door verwarming van het wegdek of door afdekking ervan. Om technische, financiële en praktische redenen wordt veelal gekozen voor het bestrooien van het wegdek met zout. Meestal wordt 'nat' gestrooid: zout vermengd met water. Daarbij wordt natriumchloride (pekel of keukenzout) gebruikt, of soms calciumchloride dat weliswaar iets duurder is maar als voordeel heeft dat het een 'exotherme' reactie op het moment dat het zout het ijs raakt. De daardoor vrijkomende warmte zorgt dat de ijslaag sneller smelt. Door de aanhoudende ijzel overweegt Rijkswaterstaat meer calciumchloride te gebruiken. Wanneer het zout een anti-klonteringsmiddel bevat heeft het een rode kleur. Ook wordt het zout gekleurd omdat het te 'denatureren', ongeschikt te maken voor consumptie.

Volgens sommige deskundigen zijn de nadelige effecten van het strooien met zout voor het milieu beperkt omdat de zogeheten 'indringdiepte' van zout niet groot is. Het meeste zout zou worden afgevoerd door het oppervlaktewater. Een woordvoerder van Milieudefensie denkt wel dat de natuur te lijden heeft van het strooizout, met name de vegetatie langs de wegen waar wordt gestrooid.