Voor Henk betekent 'ouders' of 'broer' helemaal niets

Een moeder die haar eigen kind aangeeft - dat is geen dagelijkse gebeurtenis op de Nederlandse politiebureaus. Je ziet de dienstdoende brigadier al schuiven op zijn stoel. Door wie was mevrouw mishandeld? Ach, door haar eigen zoon, dat verandert de zaak. Weet ze wel zeker dat ze aangifte wil doen, dat ze er niet misschien al morgenvroeg, als de woede is gezakt, enorme spijt van krijgt?

Mevrouw Holsteren moet heel vastberaden het hoofd hebben geschud. Daarom staat haar 20-jarige zoon Henk nu terecht voor de Utrechtse politierechter. Henk is een wat morsige, maar niet onvriendelijk uitziende jongeman die de aandacht voor zijn persoon met de nodige gelatenheid ondergaat. Hij doet geen moeite een goede indruk op de rechter te maken, hij zit er eerder bij als iemand die ervan doordrongen is dat het met zijn leven nooit meer veel zal worden.

“Waar woont u?” vraagt de rechter, mevrouw C. Walsteijn.

“Overal en nergens.”

“Waar was u toen de politie u vanochtend ophaalde?”

“Bij mijn vader.”

De rechter legt uit dat ze de zaak de vorige keer heeft aangehouden, omdat Henk er niet was. Ze had hem bij verstek kunnen veroordelen, maar ze wilde hem zelf spreken om zich een beter oordeel te kunnen vormen. Een zoon slaat zijn moeder immers niet zomaar, voor de aardigheid. Trouwens, hij had die dag óók zijn broer geslagen.

Met die broer was het begonnen. Hij had de muziek veel te hard aangezet, wat hem op een klap van Henk kwam te staan. Toen mevrouw Holsteren zich ermee bemoeide, gaf Henk haar enkele vuistslagen in het gezicht. Het was Henk zwart geworden voor de ogen, zei hij later tegen de politie.

Ontkennen doet Henk niet, hij weigert alleen de verantwoordelijkheid te dragen. Zijn moeder heeft het ernaar gemaakt, vindt hij.

“Ik heb een rotjeugd achter de rug”, vertelt hij de rechter. “Mijn ouders gingen snel scheiden, ik heb vijf jaar in een kindertehuis gezeten. Toen ik weer bij mijn moeder woonde, durfde ik een tijd lang niet op straat te komen. Vanwege mijn uiterlijk. Mijn moeder zei altijd dat ik niks waard was. Daarom ben ik die dag uit de band gesprongen.”

“Uw moeder zegt dat zij vaker door u is geslagen.”

“Drie keer, ja.”

“Die aangifte moet een grote stap voor haar geweest zijn.”

“We praten nu weer met elkaar. Het gaat redelijk.”

“Wanneer heeft u haar voor het laatst gesproken?”

“Gisteren. Ik dacht ook dat de zaak vandaag niet zou doorgaan. Totdat ik opeens van mijn bed word gehaald. Ik wist ook niet dat de zaak al een keer was voorgeweest.”

De rechter bladert door de stukken. “Het verbaast me dat het nu weer beter gaat. Kort geleden zei uw moeder nog tegen de reclassering dat ze geen contact meer met u heeft. Een week eerder had u haar een trap tegen haar kuit gegeven.”

“Dat is niet waar.”

Uit het reclasseringsrapport blijkt dat Henk niet overdrijft als hij de gezinsproblemen schetst. Tot zijn zesde jaar was hij er regelmatig getuige van dat zijn ouders elkaar met messen achterna zaten. Na de scheiding zou zijn vader voor hem zorgen, maar daar kwam weinig van terecht. Een korte periode na het kindertehuis is Henk ook nog in een pleeggezin geweest. Daar vond hij het wel prettig, maar hij moest er weg toen die mensen met vakantie gingen.

“Toen kwam u weer bij uw moeder die u kleineerde”, zegt de rechter. “Ze heeft zelfs een hete strijkbout op uw rug gezet.”

“Ja.”

“Toen gaf u haar de eerste klap.”

“Ja.”

“U heeft ook een einde aan uw leven willen maken.”

“Oh, zo vaak”, zegt Henk, alsof het over een routineklusje gaat dat hoognodig opgeknapt moet worden, maar uit laksheid telkens weer wordt uitgesteld.

“Nu nog?” vraagt de rechter verbouwereerd.

“Ja. Ik voel me zwaar klote.”

“En hoe is het nu met uw vader?”

“Ik logeer bij hem, omdat ik geen zin heb om op straat te slapen. Mijn vader heeft me nooit ergens mee geholpen. Die is alleen met ze eigen bezig.”

“Vindt u het erg dat u uw moeder slaat?”

“Ik kan er ook niks aan doen.”

“Het is wèl uw moeder.”

Henk haalt zijn schouders op. Vader, moeder, broer - het zijn begrippen die hem niets lijken te zeggen. Hij heeft alleen maar last van ze gehad, dus waarom zou hij zich nog met hen verbonden moeten voelen? Hij kijkt de rechter aan en zegt plompverloren: “Als u tien jaar lang te horen krijgt: je bent niks waard, had u ook niet op die stoel gezeten.”

“Een moeilijke jeugd is geen excuus om uw moeder klappen te geven”, zegt de rechter. “Veel mensen staan nu klaar om u te helpen, maar op afspraken bij de Riagg verschijnt u niet. Als u uw toekomst wilt veranderen, moet u zelf wat doen.”

“Dat is zo.”

De officier van justitie, R. Schoute, eist een boete van 250 gulden en een voorwaardelijke celstraf van twee weken. De mishandeling moet gezien worden in het licht van de weinig florissante voorgeschiedenis, erkent hij. Hij maakt zich ernstig zorgen over Henk, bij wie hij een grote minachting voor zijn ouders proeft. Henk heeft bovendien geen werk: hij is onlangs bij een reorganisatie ontslagen als kok. “Hij hangt tussen wal en schip”, zegt de officier. “Wordt het een sprong op de wal of in het water?”

Voorlopig wordt het een zachte landing in de wereld van de reclassering. “Ziet u daar wat in?” vraagt de rechter.

“Wat houdt dat in: reclassering?”

“Er zijn veel vormen. U kunt een cursus sociale vaardigheid krijgen, en ze kunnen u ook helpen bij het vinden van een baan.”

“Ik wil dolgraag een baan. Als ik maar niet op zo'n Kamertrainingsproject hoef. Ik wil op me eigen blijven.”

“Is alles gezegd?” rondt de rechter af.

“Nnja”, zegt Henk.

De rechter veroordeelt hem conform de eis. “Da's prima”, zegt Henk, “maar ik kan niet zo snel betalen, want ik heb geldproblemen.”

“Gaat u dan eens naar een uitzendbureau.”

“Als je niet zoveel zelfvertrouwen hebt, doe je dat niet zo snel.”

“Maar als u doorzet, levert dat ook weer zelfvertrouwen op”, zegt de rechter. “Gewoon volhouden. De aanhouder wint.”

Henk knikt, maar eerst moet hij naar huis - naar die vader. “Moet ik nou weer helemaal naar Overvecht lopen?” zucht hij.

“Het is goed weer”, zegt de rechter.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams