'Pas als de politie is gedisciplineerd, zijn we op de goede weg'

Het nieuwe jaar wordt een cruciaal jaar voor de rechtspraak, zegt de bekende Amsterdamse strafpleiter A. Moszkowicz. De conclusies van de Commissie-Van Traa over de opsporingsmethoden zullen grote veranderingen brengen. In 1996 komt in ieder geval één grote drugszaak voor de rechter. Advocaat: A. Moszkowicz.

Stond 1995 in het teken van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden, 1996 zal volgens M. Moszkowicz getekend worden door de bevindingen van die enquêtecommissie: de twijfel aan de politie zal in de rechtszaal nog harder toeslaan dan voorheen. Het komende jaar zal Moszkowicz de strijd in ten minste één zaak aanbinden, in zijn verdediging van vier Turkse broers die ervan worden verdacht leiding te hebben gegeven aan een volgens de politie ongekend omvangrijk netwerk van heroïnesmokkelaars. De verdediging zal zeer nauwkeurig bekijken of de politie geen 'buitenwettige' opsporingsmethoden heeft gebruikt.

Bescheidenheid is niet de eerste associatie die Moszkowicz oproept. Grote goudkleurige letters op de gevel van een statig pand aan de Herengracht spellen zijn naam. Maar de zaken waarmee Moszkowicz zich bezighoudt zijn ook zelden als 'bescheiden' te kenschetsen.

Moszkowicz schaart zichzelf onder de strafpleiters die door leden van de rechterlijke macht 'moeilijk' worden gevonden. “Hoe vaak ik niet van de rechter heb gehoord 'U mag niet suggereren dat die politieman liegt' ”, aldus Moszkowicz. Maar dit 'gedram' tijdens het strafproces leidde volgens hem uiteindelijk wel tot het instellen van de enquêtecommissie opsporingsmethoden en vervolgens tot het publiekelijk op de pijnbank leggen van ministers, hoofdcommissarissen, topambtenaren en rechercheurs.

Moszkowicz' aanvallen op het opsporingsapparaat worden niet alleen gemotiveerd door de wens zijn cliënt vrij te krijgen. Op de achtergrond speelt zijn vrees dat Nederland afdrijft naar een “dictatuur van de criminele-inlichtingendiensten”.

De politie heeft in de strijd tegen de 'zware georganiseerde misdaad' op grote schaal haar criminele-inlichtingendiensten (CID's) ingezet. CID-rechercheurs gaan de gangen na van mensen die nog niet officieel in staat van beschuldiging zijn gesteld. Het resultaat van deze werkwijze in de 'pro-actieve fase' is volgens Moszkowicz dat “CID'ers zand strooien in de raderen van de rechtspraak”. “De taak van de strafpleiter is om dat zand weg te halen. De taak van de strafrechter zou moeten zijn degene die hem zand in de ogen strooit een sanctie op te leggen. Maar dat gebeurt te weinig. Ik wil niet het idee oproepen dat ik alle vertrouwen heb verloren in de onafhankelijkheid van de Nederlandse rechter. Maar ik zie wel een gevaarlijke tendens.”

Het jaar 1995 kenmerkte zich volgens Moszkowicz door “teleologisch redeneren van de rechterlijke macht”: het doel heiligt achteraf de middelen. “Kijk naar de zaak Charles Z. of onlangs de uitspraak van het hof in de 'Ramola'-zaak. (De aanklagers spraken - in de 'Ramola'-zaak - over ettelijke honderden miljoenen guldens die door een drietal drugsbendes in de hasjhandel zouden zijn verdiend. red.) Wanneer het maatschappelijke belang maar groot genoeg is, worden feilen en falen van justitie goedgekeurd. Het hof in Nederland bedekt achteraf fouten van de politie met de mantel der liefde. Er wordt naar het doel toe geredeneerd.” Dat komt volgens Moszkowicz omdat in het verleden door de politiek is “getamboereerd op het spookbeeld van de georganiseerde misdaad”.

Te vaak, zo meent de advocaat, laat de rechterlijke macht de oren hangen naar de vox populi. “Een heleboel mensen hebben nu het idee dat met alle middelen paal en perk gesteld moet worden aan de drugscriminaliteit.” Criminelen bijvoorbeeld zouden zo kapitaalkrachtig zijn dat zij meer technische hulpmiddelen tot hun beschikking hebben dan de politie. “Maar dat kunnen nooit zoveel criminelen zijn dat het gerechtvaardigd is om een verdachte zijn rechten af te nemen.”

Als enig lichtpuntje uit 1995 ziet Moszkowicz de zaak tegen de van drugshandel verdachte R. “Het arrest in deze zaak heeft een discussie op gang gebracht over buitenwettelijk optreden van politie en justitie. Het ging om inkijkoperaties van de politie waarvan de officier van justitie niet op de hoogte was gesteld. Die officier is woedend geworden, hij voelde zich door de politie hogelijk in de maling genomen.”

De politiek zal in 1996 zeker moeten ingrijpen in de gang van zaken, op grond van de bevindingen van Van Traa, zo vindt Moszkowicz. “Ik verwacht dat Van Traa met een vernietigend rapport zal komen over het functioneren van het openbaar ministerie en de politie. De wetgever hoort de regels te maken voor de pro-actieve fase van het opsporingsonderzoek en niet, zoals nu nog te vaak gebeurt, de rechterlijke macht. Als de politiek niets doet zie ik het somber in. Er moet wetgeving komen en er moeten sancties komen voor politiemensen die buitenwettelijk optreden. Wanneer we in 1996 de politie hebben gedisciplineerd, zijn we al een eind op de goede weg.”

Het enige maatschappelijke belang dat in de rechtspraak zou moeten tellen, ook in de zaak tegen de van heroïnesmokkel verdachte broers, is, zo meent Moszkowicz, “een goede rechtshandhaving”. “Dat maatschappelijke belang is er in iedere rechtszaak, de dader moet op een juiste wijze worden berecht. Je mag nooit vergeten dat in ieder mens een verdachte schuilt.”