Op z'n Rotterdams

MET GROTE WOORDEN als “stuitende traagheid” en “oeverloos gebabbel” hekelde vorige week burgemeester A. Peper van Rotterdam de besluitvorming in Nederland waar het de aanpak van grote infrastructurele werken betreft. Hij sprak voor een gehoor van havenwerkgevers, dankbaar publiek als het gaat om het luiden van de noodklok richting Den Haag in de gekozen terminologie. Peper deed zijn uitspraken in zijn traditionele oudejaarstoespraak, waarin hij de overslagcijfers van de Rotterdamse haven bekendmaakte. Die zijn in 1995 marginaal gestegen tot bijna 295 miljoen ton.

Burgemeester en havenwethouder, de directie van het havenbedrijf, de havenondernemingen, zij allen vrezen dat Rotterdam de per schip aangevoerde goederen niet meer over de weg kan transporteren naar landinwaarts gelegen bestemmingen omdat de wegen vol zijn. In de woorden van Peper: de haven slibt van de landzijde dicht met auto's. Snelle beslissingen zijn volgens hem geboden. De infrastructuur in en om de haven moet beter om de ambitie van Rotterdam - uit te groeien tot een waar knooppunt van internationaal transport - te kunnen verwezenlijken. Geld is niet het probleem, alswel “het procedurele infarct dat onze bestuursstijl heeft aangedaan”, meende Peper.

Het is goed dat de burgemeester in de eerste persoon meervoud sprak. Zijn cri-de-coeur heeft ongetwijfeld grond en er is niets op tegen als deze zaken andermaal hardop worden gezegd. Maar louter met de beschuldigende vinger naar Den Haag wijzen is wat gemakkelijk. De infrastructuur in Nederland, weten we sinds de Betuwelijn en de uitbreiding van Schiphol, is van iedereen. Snelle besluitvorming dienaangaande is niet te verwachten, hoe spijtig dat ook is. Het aanleggen van nieuwe wegen en spoorlijnen, de uitbreiding van een vliegveld - het zijn zaken die menigeen direct aangaan. Van de getroffen burger die een goederenspoorbaan door zijn achtertuin krijgt tot de politicus die aan zijn herverkiezing moet denken. Het thema infrastructuur en de baaierd aan opinies daarover loopt door alle politieke partijen heen en zelfs in Pepers eigen Rotterdam zijn de meningen over de bereikbaarheid van de haven en de mogelijke uitbreiding daarvan talrijk en niet te negeren.

KLAGEN OVER DE trage besluitvorming in Nederland helpt - soms. En soms is het de moeite waard om volgens goed-Rotterdamse traditie weer eens wat ongezouten kritiek te laten neerdalen op de hoofden van de Haagse bestuurderen. Het gaat immers om een nationaal belang: een bloeiende haven is goed voor heel Nederland. Maar naast het uiten van kritiek zal Rotterdam volgens eveneens oude traditie zèlf zaken moeten aanpakken. Met creativiteit - waarbij het plan van de havenwethouder om vrij baan te geven voor het vrachtverkeer ten nadele van het personenverkeer nog maar eens grondig onder de loupe moet worden genomen. Ook kantoorpersoneel van overigens per openbaar vervoer praktisch onbereikbare havenondernemingen moet naar zijn werk en om uitgerekend die mensen in de file te laten staan is wellicht wat onhandig. Met inventiviteit - gevoed door bijvoorbeeld de aanpak van soortgelijke vraagstukken in dichtbevolkte havensteden als Singapore en Hongkong. En met wat diplomatie - door in stilte Den Haag te bewerken en datgene te bereiken wat ongetwijfeld Pepers bedoeling is: een haven die zich ook na 2000 nog de grootste ter wereld kan noemen.