Onheil voor een kind zonder enig verweer

Voorstelling: De heuvels van Blauw door Speelteater Gent, vanaf 8 jaar. Tekst: Dennis Potter. Regie: Rieks Swarte. Spel: Paul Carpentier, Luc Frans, Ineke Nijssen e.a. Gezien: 20/12 Kopergieterij Gent. Nederlandse première: 3/1 Kunstmin Dordrecht, 4/1 Schouwburg Arnhem, 5 t/m 7/1 Schouwburg Rotterdam. Inl: 00 32 9 2337000

Even denk je als toeschouwer bij De heuvels van Blauw dat je weer eens mee terug mag kijken op de zogenaamde idylle van de kindertijd. Het is oorlog en een groep kinderen hangt wat rond. De jongens spelen bombardementje in het bos, de meisjes vadertje en moedertje in een oude schuur. Er heerst een stemming van landerige ongerichtheid. Plannen worden gelanceerd en verworpen, onbetekenende woordenwisselingen laaien op, er wordt veel gezwegen, naar de lucht gekeken en met de benen gebungeld. Tot het thema - wie is de baas over wie - zich bijna terloops aankondigt bij het al dan niet delen van een appel. Binnen een uur ontrolt zich dan het drama van een kind zonder verweer: het lulletje rozewater van de groep komt om in de brandende schuur en de rest stond erbij en keek ernaar.

De heuvels van Blauw is de toneelversie van Blue Remembered Hills (1979), het televisiespel van Dennis Potter. In zijn eenvoud is het een ijzersterk scenario. Het dreigend onheil is even onbenoembaar als onafwendbaar, zeker na het joelerig murw trappen van een als voetbal dienende eekhoorn. Achter de wetmatigheden van het kinderspel tekenen de onaangename kanten van het volwassen bestaan zich helder af. Pesten mag dan iets zijn waar vooral kinderen onder lijden, ook grote mensen kijken met zijn allen graag een andere kant op wanneer een zwakkeling wordt gepakt. Dat gegeven heeft Potter geraffineerd verpakt in beelden van een leeftijdsfase waarin de verkeerde beslissingen nog in onschuld genomen worden of waarin - preciezer gezegd - helemaal geen beslissingen genomen worden.

Het is niet verbazingwekkend dat Rieks Swarte, in zijn voorstellingen altijd op zoek naar het naïeve, dit stuk in het theater wilde brengen. Hij doet dat op een voor zijn doen opvallend kale manier. Alleen de suggestie van de brandende schuur en de beginscène met bombardementen per overheadprojector zijn typerend, maar verder blijft de kist van de spullenbaas deze keer dicht. Het draait uitsluitend om de zeven acteurs, die rondscharrelen op hoge schoenen met afgezakte kniekousen, in korte broek en slipover en in te krappe jurkjes. Als in elke Swartevoorstelling gaan ze een samenzweerderig verbond met de zaal aan: kom eens kijken wat voor een mooi stukje wij voor jullie gaan doen. Wie niet op is, gaat langs de kant zitten kijken naar de doende collega's en per scènewisseling geeft iemand aan waar de handeling plaats vindt: 'een plek in het bos' - 'in een oude schuur'.

Met grote overtuiging is men kind zonder kinderachtig te zijn en naarmate de voorstelling vordert vervagen de grenzen tussen jong en oud steeds verder, met als hoogtepunt de vadertje-en-moedertjescène. Daar doen volwassenen of ze kinderen zijn, die doen of ze hun ouders zijn en ook daar gaat het over de strijd om de macht, die het hele stuk beheerst. Zo worden acteurs én publiek, ondanks alle onbekommerde en vertederende momenten, langzaam maar zeker opgenomen in een sfeer van gezamenlijke beklemming, omdat kinderen vermoeden en volwassenen weten dat in het leven de vork ongeveer zo in de steel zit.

    • Bregje Boonstra