Kinderkamer

Over het computerscherm vliegen broodroosters. Ze verdwijnen, komen elders weer terug, het is een simpel programma waar het er alleen maar om gaat dat er beweging is, zodat het scherm niet doorbrandt. Je kan er een muziekje achter zetten. Wagner. Nu de muziek klinkt zie ik pas wat die broodroosters doen. Ze simuleren de beroemdste scène uit de film Apocalypse Now. Het zijn eigenlijk vliegtuigen die Vietnamese dorpen bombarderen. Niets huiveringwekkends hier. Het is vrolijk kinderspel. Als piloten bij echte bombardementsvluchten hun squadron op het scherm krijgen, zullen ze waarschijnlijk broodroosters zien, om de stemming opgewekt te houden. Ik ben vol bewondering voor de vindingrijkheid van de programmeur en ik kan niet genoeg krijgen van die broodroosters.

De computer infantiliseert, denk ik. Ik heb het niet over verkeersleiders die met behulp van computers de vliegtuigen veilig binnenloodsen, of schakers die de partijen van het laatste toernooi binnenhalen, maar over de onbaatzuchtige liefde voor de computer. Hobby: computeren. Spelletjes spelen, het internet doorkruisen om met praatgroepjes mee te kletsen over buitenaardse wezens en regeringscomplotten. Het komt misschien ook door het Engelse gebrabbel in deze wereld, waarin screens gesaved worden en files gedownload. Terug naar vroeger, toen ik voetbalde met corners, keepers en penalties. Nu het voetbal volwassen is geworden praten ze weer Nederlands. De computerliefhebbers zelf denken er net zo over als ik. Als ze de standaardmens uit hun midden beschrijven is het een contactgestoorde puber met overgewicht en puisten, die geketend aan zijn scherm vieze diepvriesmaaltijden wegschrokt die hij cyberfood noemt.

Mijn vriend wil niet meer met mij schaken. Twee mensen aan een tafel, met een bord tussen hen in, vindt hij saai. Op de elektronische schaakclub kan hij iedere vijf minuten met een ander spelen. Hij stelt een compromis voor. Zo heeft hij het al eens met een andere vriend gedaan. Ze zaten naast elkaar aan een bureau en speelden tegen elkaar via de elektronische schaakclub. De schaakzet gaat van de muis door een draad de computer in, vandaar door de telefoonkabels, ergens pakt een communicatiesatelliet hem op, de zet gaat naar Pittsburgh en keert vandaar weer terug naar het bureau, naar de tegenstander naast je, dit alles in een fractie van een seconde. Omdat er veel elektronische schaakclubs zijn, die ze allemaal probeerden, waren hun zetten ook in Australië en Chili geweest terwijl ze naast elkaar tegen elkaar speelden. Ze hadden veel gelachen. Zo wil ik ook wel lachen, maar ik besef dat dit compromis een overgangsverschijnsel is en het gelach een anachronisme. Ze zijn nog opgevoed met een landkaart en daardoor denken ze dat een computer in Melbourne verder weg is dan een die naast je staat. Ze lachen omdat ze een ouderwets idee van afstanden hebben, waarvan de onbruikbaarheid voor hun ogen gedemonstreerd wordt. Ze zouden een voorbeeld kunnen nemen aan de vakantiegangers die op de televisie door de vakantieman ondervraagd werden. Hij liet ze een blinde kaart zien en vroeg waar ze waren. Ze wezen Spanje aan, terwijl ze in Oostenrijk waren. Dat zijn moderne mensen die weten dat in de wereld van de vliegveldterminals de afstanden van de oude aardrijkskundelessen niet meer bestaan. Ze lachen niet om hun gebrekkige kaartkennis. Waarom zouden ze? Ik speel een schaakpartij na in mijn eentje, niet op een scherm maar op een bord, met stukken van hout die ik liefdevol betast, en als ik het witte paard voel, voel ik dat het in 1934 in Zürich naar d7 sprong en bezield is door de duizenden sierlijke paardesprongen die ik me herinner. Magisch concreet voorwerp. Instrument van een zwakke verzetsdaad tegen het opdringen van de virtuele wereld.

De kinderwereld van de computer is verleidelijk. Ik lees een boek van iemand die maandenlang niets anders heeft gedaan dan kletsen op het internet. Ach wat leuk, wat aanstekelijk. Ik schrijf de adressen van de interessante plekjes op, daar wil ik misschien ook naar toe. Het boek is aardig geschreven, het onderwerp interesseert me. Maar op den duur worden al die spannende speurtochten toch vervelend, omdat er nooit iets wordt gevonden dat de moeite waard is. Leuk om in een virtueel café van virtuele Hell's Angels te zijn. Grappig hoe ze grommen en klauwen. Het zijn in het echt waarschijnlijk onschuldige cyberfoodvreters of verveelde huisvrouwen, maar de echte wereld is het verbanningsoord Offline World, waarin je maar het beste kunt slapen. Het kan de aandacht niet lang vasthouden, dat primitieve gegrom, vlug verder naar een ander plekje, de werkgroep samenzweringstheoriëen. “Wordt U bespioneerd door Uw voedsel?“ Een memorabele zin, maar het is vrijwel de enige memorabele zin die de schrijfster op haar speurtochten is tegengekomen. Ze is verrukt van het internet, van de mogelijkheid om overal te zijn, met iedereen te communiceren. De verrukking zit in de vorm, niet in de inhoud. De inhoud van de communicatie is van een zeer laag peil, maar dat doet er niet toe. Als in de begindagen van de telefoon. Hallo Bandoeng, ik ben ik, hoort U mij? Luid en duidelijk, ik ben ook ik, Roger en sluiten.

Vreemde gedachte: zou er een Oudgriekse of Romeinse schrijver bestaan die als een totaal waardeloze kletsmajoor beschouwd moet worden? Nooit over gelezen. De kletsmajoors kwamen pas veel later. De toppen van de literatuur blijven door de eeuwen heen ongeveer even hoog en de wetenschappelijke vooruitgang kan gezien worden als het proces waardoor die toppen worden omspoeld door steeds grotere en hogere wateren van onnozel geklets, van de boekdrukkunst tot het internet. Fascinerend dat er achter mijn scherm eindeloze werelden van oeverloos geleuter liggen, die ieder moment van de dag worden aangevuld en uitgebreid, waar ik geheel in onder kan gaan als Offline World me niet bevalt. De avant-garde van de computerideologen ontwerpt wetenschappelijke fantasieën waarin de versmelting met het Wereldgeleuter totaal is geworden. Ze droomt van de mogelijkheid om de inhoud van de menselijke hersenpan te downloaden in een computer, die dan de enige computer zal zijn, omdat alle terminals in verbinding met elkaar staan. Wij allen één, in een bezield universum. Oude droom van mystici. Kinderdroom in onherbergzame Offline World. De mens neemt plaats achter de computer, wordt weer kind en verdwijnt tenslotte in de oceaan van alomvattende liefde.

    • Hans Ree