Het stadsleven

Het jongetje neemt, om met Carmiggelt te spreken, naar schatting nog slechts vier jaar aan de pelgrimstocht der mensheid deel. Hij heeft zijn bal uit zijn vingers laten glippen, een vrij kleine bal, die nu langs de hellende Atheense weg naar beneden rolt. Het jongetje roept huilend: bal! bal! maar deze is al te ver weg om het nog te kunnen horen. Hij is al door enkele auto's overreden, en ook door een bus. Het jongetje begint nu te schreeuwen. De jonge vader weet maar één ding te doen: hij laat zijn zoontje in de handen van enkele omstanders en gaat achter de bal aan. Binnen luttele seconden is ook hij uit het zicht verdwenen.

Het jongetje begint nu te gillen en te krijsen. Opeens is hij alles kwijt: zijn bal én zijn vader. Hij probeert zich los te wringen, maar de vreemdelingen houden hem stevig vast. Binnen twee minuten is de vader weer terug, triomfantelijk met bal. Maar voor zijn zoontje is de schok te hevig geweest om meteen weer te kunnen lachen.

Op de bank bij de halte voor de trolley strijkt een jongeman neer met twee vrij grote ijsjes, in elke hand één. Hij likt er met overtuiging aan, om de beurt aan het ene en het andere. Ik kijk gefascineerd toe. Iemand met een ijsje zie je dikwijls, iemand met twee ijsjes eigenlijk nooit. En het is niet warm meer. Zou hij één te weinig vinden? Zou hij aan ijs verslaafd zijn? Of... en ik zet mijn fantasie in werking: zou hij een vriendin hebben, voor wie hij ook een ijsje kocht, maar die het afwees, zo bars dat het tot een ruzie kwam waarna de jongeman zich boos verwijderde met de twee ijsjes nog steeds in de handen? Maar vanwaar dan die animo? Na vijf minuten heeft hij ze allebei op. De trolley komt eraan, ik zal het nooit weten.

In de trolley stapt een controleur binnen, tussen twee haltes in. Een zwerverachtige figuur zit breeduit weggezakt, te slapen lijkt het wel. Als de controleur hem aanport, zegt de zwerver: “heb je wel legitimatie? Iedereen kan wel voor controleur spelen”. Zwijgend haalt de controleur zijn legitimatie te voorschijn, zeker dat hij nu beet heeft. Maar de zwerver komt op zijn beurt met een verfrommeld kaartje dat geheel en al geldig blijkt. Een beetje beteuterd loopt de controleur door. En ik meen onder de passagiers een begin van leedvermaak te constateren. Men opteert in dit geval voor de zwerver.

Deze scènetjes speelden zich binnen één uur af in het centrum van Athene. Wie zei daar dat het stadsleven uit sleur bestaat?

    • Frans van Hasselt