Het gelijk van Arthur Schopenhauer; Kagel dirigeert zijn banale kranteberichten

Nieuwjaarsconcert: Schönberg Ensemble o.l.v. Mauricio Kagel, met Lieuwe Visser bariton. Werken van Kagel. Gehoord 1/1 Muziekcentrum Vredenburg Utrecht. Herhaling 2/1 Anton Philipszaal Den Haag.

De gehele cyclus Stücke der Windrose is nog op 20 februari te beluisteren, eveneens in muziekcentrum Vredenburg. Dan dirigeert Kagel het Duitse ensemble Musikfabrik NRW.

“Alle kunsten leven van woorden”, aldus de Franse dichter Paul Valéry. Voor Mauricio Kagel biedt de muziek daarop geen uitzondering, al zullen velen het daar niet mee eens zijn, onder wie Schopenhauer. Voor de Duitse filosoof was niet Haydn, Mozart of Beethoven het ideaal, maar Rossini: “Wie da spricht ohne Worte!” Het zou iets voor Kagel zijn om Schopenhauers stelling, dat muziek niets met woorden van doen heeft, op muziek te zetten. Dat is te vergelijken met Joan la Barbara's reactie op een uitspraak van Cathy Berberian, die meende dat La Barbara wel goed kon zingen, maar niet componeren, waarop La Barbara exact die tekst als uitgangspunt nam voor een nieuwe compositie.

De teksten die Kagel op muziek zet, zijn al even ongewoon in banale zin, zoals mag blijken uit zijn cantate ...den 24. XII. 1931, verstümmelte Nachrichten für Bariton und Instrumente, het hoogtepunt op een hoogst geanimeerd Nieuwjaarsconcert zondagmiddag in muziekcentrum Vredenburg in Utrecht. Want wat is er banaler dan kranteberichten?

Op 24 december 1931 kwam Mauricio Kagel ter wereld in Buenos Aires en dat feit herdacht hij zestig jaar na dato met een groots opgezette zevendelige compositie naar nieuwsberichten uit die dagen, zoals hij die aantrof in onder meer de Vossische Zeitung (over een gevangenisopstand in Buenos Aires), de Völkischer Beobachter (nazi-intimidatie aankondigend) en Kölnische Zeitung (waarin een Duitse employé die zijn geluk in Argentinië beproefde zich tijdens de kerst beklaagde over het feit dat hij ook daar niet aan de slag kon komen).

Bij deze ingezonden brief sluit een bericht aan, waarin voor het eerst via een draadloze verbinding Palestijnse kerkklokken in New York zijn te horen. Kagel laat ter illustratie een accu vonken produceren. De cantate eindigt als een hoorspelcompositie par excellence in een orgie van kerkklokken en sirenes en ook in het begin spelen klokkeklanken ook een belangrijke rol. Die verzanden echter in knekelmuziek, want je kunt van Kagel alles verwachten, maar nu juist niet vrolijke geboorte- en kerstmuziek.

“Komposition ist die Organisation disperater Elemente”, schijnt Brahms eens te hebben opgemerkt. Ik trof dit aan in Kagels boek Worte über Musik en het lijkt me ook een prachtdefinitie voor Kagels eigen muziek, altijd vol expressionistische elementen, gemeend dan wel ironisch bedoeld.

Sterker nog is het visuele element verwerkt in Dressur uit Quatre Degrés voor een slagwerktrio dat 50 houten instrumenten bespeelt zoals klompen, castagnetten, notenkraker, stoel en mattenklopper. Helemaal consequent is Kagel toch niet, want in een act van zelfkastijding wordt ook het menselijke vel als klankverwekker ingezet. Ik vond Dressur al meteen op de première in 1977 een must. Steeds weet hitst een der spelers de anderen op in de rol van dompteur en niet voor niets is het werk in muzikale zin geïnspireerd op de onsterfelijk banale melodie 'Souvenir de Cirque Renz' van Gustav Gustav Peter. Oefening baart kunst, luidt een stelregel.

Maar voor Kagel geldt: oefening is kunst. Schopenhauer had dit afgekeurd, hij hechtte aan een hiërarchie van melodie en harmonie, maar juist in zijn tijd ontwikkelde zich de harmonie pijlsnel in een overwoekering van de melodie en bij Kagel ten slotte is er alleen nog maar vulsel. Maar dan wel van het meest poëtische soort, met name in Südwesten uit 1992/93, uit Die Stücke der Windrose, waarin instrumenten als schelp en snorrebot de mysterieuze wereld van de Stille Zuidzee oproepen. Etnomusicologisch is het broddelwerk, Kagel vertrouwt geheel op zijn verbeelding in een geruis en gesis van het allerverfijndste soort; ik stel me zo voor dat hij 's nachts, het dekbed bekloppend, met een glimlach in slaap valt.

Het wonderbaarlijkste is dat met al dit soort a-muzikale handelingen toch een boeiende klankwereld ontstaat, waar je, als je er met gesloten ogen naar luistert, zowaar geneigd van bent te denken dat Schopenhauer toch gelijk had: muziek als universele taal op zichzelf, in wezen onafhankelijk van welke concrete middelen of woorden dan ook. Natuurlijk moet er dan wel zo voortreffelijk gemusiceerd worden als gisteravond: precies en poëtisch, exact als een automaat en toch soepel.

    • Ernst Vermeulen