Perfecte spelling blijft een illusie; Wie schrijft er nog boekebon in plaats van boekenbon?

De Kamervragen over de spelling die deze week door staatssecretaris Nuis (cultuur) zijn beantwoord, wekten enigszins de indruk dat er een schisma dreigt te ontstaan in de Nederlandse taalgemeenschap. Terecht wees Nuis er op dat het Groene Boekje voor overheid en onderwijs in Nederland en Vlaanderen de norm is.

De Spellingbesluiten zijn genomen in Vlaams-Nederlands verband en de eenheid binnen het taalgebied heeft daarbij zwaar gewogen. Er kan daarom geen sprake zijn van een eenzijdig openbreken van deze besluitvorming. Overigens is dat ook niet nodig: de verschillen tussen het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal van Van Dale en het Groene Boekje betreffen slechts een paar honderd woorden, op een bestand van ruim tweehonderdduizend lemmata. Om het precieze aantal te kunnen vaststellen is de Taalunie onlangs ingegaan op een verzoek van uitgeverij Van Dale om het Groene Boekje en Van Dale digitaal te vergelijken. Die vergelijking zal in januari worden uitgevoerd.

Hier en daar wordt gesuggereerd dat de verschillen tussen de officiële Woordenlijst en Van Dale te voorkomen waren geweest door een langere voorbereidingstijd. Die suggestie is niet terecht. Aan de huidige regeling voor de tussenletters heeft eerst de Spellingcommissie gewerkt; die is drie jaar bezig geweest. De Spellingcommissie bestond uit taal-, spelling- en woordenboekdeskundigen uit Nederland en Vlaanderen.

Vervolgens heeft de Taaladviescommissie zich nader over de uitwerking van de regels en de toepassing ervan gebogen. Ook in de Taaladviescommissie is taalkundige en lexicologische deskundigheid ruimschoots vertegenwoordigd. In de nieuwe 'Spellingraad' van Van Dale vindt men deels dezelfde namen terug als in de genoemde commissies.

Er is dus geen sprake van gebrek aan deskundigheid, van te korte voorbereidingstijd, of van onbekendheid met de interpretatie van de regels. De feitelijke oorzaak van het gesteggel in de periferie van de besluiten is dat taal als levend systeem zich nu eenmaal op onderdelen aan regels en regelgeving onttrekt. Daarom worden ook de deskundigen het er nooit helemaal over eens waar de grenzen precies moeten worden getrokken, en op welke manier. Extra tijd of verder studeren helpt op dit punt niet; want ook taalkundigen en lexicografen worden het nooit helemaal met elkaar eens - en zelfs niet altijd met zichzelf.

Er is geen overheidsbesluit dat niet vanuit enige hoek van de samenleving wordt bekritiseerd. En er is geen spellingregel die niet wordt bekritiseerd. De gedachte dat er op het gebied van spelling honderd procent sluitende regels te bedenken en voor te schrijven zouden zijn waarmee iedereen tevreden is, staat dan ook gelijk met geloven in de vierkante cirkel.

Regels en besluiten op dit gebied dienen te worden vergeleken met hun voorgangers, niet met een onbestaand ideaal. Het nieuwe Groene Boekje dient dus beoordeeld te worden op de vraag of het een vooruitgang is vergeleken met het oude. Die vraag heb ik nog door niemand ontkennend horen beantwoorden.

Het is jammer dat een grote lexicografische uitgever er voor heeft gekozen om niet de komst van het Groene Boekje af te wachten. Juist met het oog op de belangen van de uitgeverswereld was het geplande tijdstip van verschijnen van het Groene Boekje lang van tevoren bekend gemaakt. Bovendien heeft de Taalunie uitgevers nadrukkelijk gewezen op de mogelijkheid problemen of twijfelgevallen voor te leggen. De verschillen tussen Van Dale en het Groene Boekje komen dan ook niet voort uit een gebrek aan informatie, maar uit een bewuste keuze om op bepaalde punt af te wijken.

Desalniettemin is het onzin om die verschillen te dramatiseren. Over het geheel genomen is de duidelijkheid en de eenheid op spellinggebied sterk toegenomen. Voor de oude en nieuwe bastaardwoorden bestaat nu eenduidigheid, de hoofdregels voor de tussenletters zijn duidelijk omdat zij uitgaan van vorm in plaats van betekenis.

Overigens lijkt men bij kritiek op de regeling van de tussenletters <-en> vaak over het hoofd te zien dat die regels juist zijn geformuleerd om aan te sluiten bij de gegroeide praktijk. Veel mensen schrijven wat dit betreft al in de nieuwe spelling, zonder dat ze daar zelf erg in hebben: wie schrijft er nog boekebon in plaats van boekenbon?

Laten we dus nuchter blijven. Het nieuwe Groene Boekje is onbetwist beter dan het oude, en dat was de opdracht waar alle Taaluniebetrokkenen - ministers, adviescommissies en het Instituut voor Nederlandse Lexicologie - voor stonden. Het Spellingbesluit brengt op alle hoofdlijnen een verbetering.

Betekent een en ander nu dat de spelling voor honderd jaar 'af' is? Alleen al omdat de taal voortdurend zal blijven veranderen, en daarmee ook schrijfwijzen blijft beïnvloeden, is dat onmogelijk.

Betekent het dat de Woordenlijst niet voor verbetering vatbaar is? Ook dat niet. Want nog afgezien van het feit dat het eerste foutloze lexicografische produkt nog moet worden gemaakt, staan er in relatie tot een officiële Woordenlijst nog allerlei vragen open waarop een afgewogen antwoord niet op stel of sprong te geven is.

Bijvoorbeeld voor wat betreft de selectie: moeten 'gewone' woorden erin of juist niet? Moeten 'probleemloze' samenstellingen erin? En wie kan, in een land dat steeds meertaliger wordt, het antwoord geven op de vraag wat 'gewone' woorden en 'probleemloze' samenstellingen zijn? Hoe verhouden zich in dat opzicht een (verklarend) woordenboek en een officiële Woordenlijst tot elkaar? Moet het woordbestand vooral actuele woorden bevatten, zoals de opdracht van het Comité van Ministers nu luidde? En wat is daarbij de definitie van 'actueel'? Moet het Groene Boekje ook de enige norm zijn voor allerlei niet wettelijk beregelde kwesties, zoals hoofdlettergebruik? Hoe bepaal je zo'n norm? Doe je dat op grond van de frequentie waarmee vormen voorkomen in je verzameling woordmateriaal, zoals lexicografen geneigd zijn te doen, of door het opstellen en toepassen van regels, zoals taalkundigen graag willen? Moeten regels in de eerste plaats voor woordenboekuitgevers sluitend zijn terwille van volledige eenheid in het materiaal, of moeten ze vooral makkelijk leerbaar zijn, en daardoor per definitie niet sluitend?

Het zijn stuk voor stuk relevante vragen voor het spellingbeleid van de komende jaren. Nu zijn ze nog door niemand te beantwoorden. Maar dat is geen reden om ze niet te stellen. Integendeel, het zou van meer moed en inzicht getuigen dan veel van de huidige kritiek.