Paraplu-achtigen

Nu is de trieste tijd van het jaar dat er in de tuin niets te doen is dan betreuren dat men geen tijd had uitgetrokken voor het planten van een winterjasmijn, een toverhazelaar of een mahonia. Planten die in december bloeien zijn de meest miraculeuze, helaas herinnert de niet-vooruitziende tuinier ze zich pas in die maand in plaats van op een tijdstip waarop hij ze nog kon planten.

Maar wel word ik er om deze tijd van het jaar altijd aan herinnerd dat mijn tuin een natuurlijke voorsprong had, namelijk dat zij al voorzien was van een aanzienlijke Fatsia japonica. Dat is een groenblijvende heester, ook bekend onder de namen vijgebladpalm of valse wonderolieplant, die groenblijvende bladeren heeft van het grootste formaat dat ons klimaat kan bieden. Ze zijn exotisch, tropisch, lijken wat op papaja, een schitterend gezicht het hele jaar door; en dan komen er in november grote sappige knoppen aan die veranderen in een fraaie warboel van bloemen, bovenop de plant geplaatst als iets gemaakt met een constructiebouwdoos voor kinderen.

De bloeiwijzen en hun stengels zijn wit; ze stammen, net als de hele plant, duidelijk van de paraplu af en bestaan uit spaken met elk een klein bloempje aan het uiteinde. In knop is dit bolvormig; wanneer het opent onthult het een klein wit bloempje met een geel hart (onweerstaanbaar herinnerend aan een gebakken ei) waar kleine sprietjes uitsteken. Deze sprietjes, wanneer ze uitgegroeid zijn, verlenen de bloemen een donzige aanblik.

De Fatsia is zielsgelukkig tegen een donkere droge muur. De mijne krijgt 's zomers bijna geen zon en praktisch geen vocht, staande op de plek waar boven het dak van perebladeren nog een dak van beukebladeren uitsteekt; wel is er de dripfeed irrigatieslang: een tantaluskwelling, ze kan hem wel zien, maar hij ligt net te ver om ervan te profiteren. Hoe overleeft zij het, vraag ik me vaak af. Vrienden die hun Fatsia verplaatst hebben vertelden dat zij een onvoorstelbaar lange penwortel vonden, misschien gaat die tot het grondwater. Hoe het ook zij, nooit heb ik aan de onze het minste teken van watertekort kunnen ontdekken; ze groeit en bloeit er lustig op los.

De bloemen worden soms, maar niet altijd, bevrucht met behulp van vliegen. (Waar komen die vandaan, in december?) Volgens Graham Stuart Thomas ruïneert harde vorst de bloemen en daarmee de kansen op bevruchting. Misschien hangt het af van het preciese moment in hun ontwikkeling waarop dit gebeurt, want in mijn ervaring is er tussen de strengheid van de winter en het ontbreken van vruchten geen aanwijsbare correlatie. Vorig jaar was niet erg koud, maar toch geen zaden.

Deze zaden zijn rond en zwart en nog indrukwekkender dan de bloemen. Vogels beschouwen ze als een buitengewone tractatie. Christopher Lloyd zegt dat het tamelijk eenvoudig is planten te kweken uit zaad zolang dit vers is, maar ik heb er geen ervaring mee: één fatsia in de tuin is wel voldoende. Hij vestigt er ook de aandacht op dat het een plant is die in veel mensen de dienstmeid losmaakt: 'Hier is nog een heester die ge nooit zult of moogt passeren zonder opzij te stappen teneinde dorre bladeren te verwijderen die zijn afgevallen of in de constructie blijven hangen.'

Fatsia japonica komt zoals te verwachten uit Japan en wordt daar gevonden in bossen bij de zee. Volgens Phillips en Rix (Shrubs) is zij bestand tegen - 10ß8, hetgeen een limiet stelt aan wat je er in dit land mee kunt doen. Zij is heel algemeen in stadstuinen, die vaak beschut zijn en relatief warm.

Zij werd geïntroduceerd in 1838, na uit Japan te zijn gebracht door Thunberg, die haar Aralia japonica noemde; zij is ook bekend geweest als Aralia sieboldii. Maar op een of ander moment werd besloten dat haar Latijnse naam analoog moest zijn aan haar Japanse en zij werd plechtig herdoopt tot Fatsia, op grond van een veronderstelde Japanse naam Fatsi. Wie deze naam in een Japans woordenboek probeert terug te vinden wacht een ontgoocheling: de beruchte inheemse informant met een spraakgebrek is hier kennelijk weer in het spel geweest. William T. Stearn (Dictionary of Plant Names for Gardeners) beschrijft het woord onbehulpzaam als 'obsolete or misrendered' en Alice M. Coats zegt in haar uitstekende Garden Shrubs and their Histories dat het 'Iats'de' moet zijn. Ook dat ziet er hermetisch uit tot je het herleidt tot de normale transliteratie yatsude, hetgeen inderdaad Japans is en 'acht handen' betekent.

Nu lijken de bladeren van de Fatsia inderdaad op handen, en wel met acht vingers, zodat er rond die Japanse aanduiding toch weer een Oosters mysterie blijft hangen. In de noten bij het boek van Coats staat ook nog dat 'de Japanners geloven dat de handvormige bladeren de kracht hebben om demonen te verjagen'. Of er in Japan echt zo'n geloof bestaat vraag ik me af. En ben ik beschermd door hun aanwezigheid in de tuin, of moeten ze, net als knoflook, binnenshuis staan om de spoken te verdrijven?

De Fatsia is eens per ongeluk gekruisd met Ierse klimop, Hedera hibernica, in de kwekerij van Lizé Frères in Nantes, en het gevolg was X Fatshedera lizei. Dit, schrijft Alice Coats, 'wordt altijd verengelst tot Fat-headed Lizzy'. Ze beschrijft het gewas als 'zwak in de knieën' en de ondersteuning van een staak of muur behoevend; bestaat ook als kamerplant.

Er is één ding waarvoor de Fatsia van onschatbare waarde is. Iedere winter verifieer ik het opnieuw: wanneer het kwik onder nul daalt laat de Fatsia haar bladeren, inplaats van ze zoals handen vooruit te steken, hangen als een opgevouwen paraplu. Ook de bloemen hangen dan omlaag. Het is merkwaardig om te zien hoe alles weer omhoog veert zodra het dooit. Het interessantste is dat je, door te kijken naar de hoek waaronder de bladeren omlaag hangen, een redelijk nauwkeurige schatting kunt maken van de temperatuur. Op de koudste dag van de week hingen de bladeren vlak tegen de stam: dan weet je dat je je warmste jas aan moet.