Palestijn verliest zijn gevoel voor humor

RAMALLAH, 30 DEC. Vijf Palestijnen trekken met wat brood stukken vlees van een spies. Iemand vertelt dat zijn oom zich kandidaat heeft gesteld voor de verkiezingen van 20 januari. “Man, hou op over de verkiezingen”, zegt een ander met zijn mond vol. “Vertel liever een goeie grap.” Het wordt stil. De mannen kijken elkaar vragend aan. Niemand weet een goeie grap.

Zo gaat het al drie maanden. De Palestijnen zijn zo apathisch geworden dat ze zelfs hun gevoel voor humor zijn kwijtgeraakt. Palestijnen zijn doorgaans enorme grappenmakers. “Met grappen”, zegt Sharif Kanaana, antropoloog aan de Bir Zeit Universiteit in Ramallah, “verwerken wij alles wat ons overkomt. Onze humor is uit het leven gegrepen.” Normaal gesproken levert elke gebeurtenis meteen een hausse aan grappen op - de eerste steen van de intifadah (de Palestijnse volksopstand die in 1987 uitbrak), de Golfoorlog, het autonomie-akkoord, Arafat die voet in Gaza zette. Wie wilde weten wat de Palestijnen daar ècht van vonden, moest er vooral niet serieus met ze over gaan praten. Hun antwoorden waren altijd voorspelbaar: de Palestijnen waren altijd het slachtoffer, de Israeliërs de daders. Wie echter aan een middagdis aanschoof en luisterde naar de grappen die de gasten elkaar vertelden, kreeg een beeld van hoe ze er echt over dachten. Pas dan, vanachter het masker van een schaterlach, gaven ze hun ware gevoelens prijs. Dan waren ze in staat zichzelf op de hak te nemen. Dat ze dat nu niet meer doen, is een teken aan de wand.

De laatste anderhalf jaar was het grappenmaken een soort nationale sport geworden. Na zo'n lunch kwam je soms met kramp in je kaken thuis. Een Palestijn die steeds sceptischer werd over de prestaties van het Palestijnse zelfbestuur, zei deze zomer: “Ik lach mijn frustaties liever weg dan dat ik er 's nachts van wakker lig.” Dus lag hij dubbel om de grap van de ezel die luid balkend wegloopt als Arafat hem vraagt of hij minister wil worden. Een andere favoriet van hem was die over de Palestijnse autofabriek. Die maakt auto's met maar drie versnellingen. “Want tegen de tijd dat je hem in zijn vier zet, ben je Palestina al weer uit.”

Sharif Kanaana verzamelt al sinds de eerste dag van de intifadah humoristische uitingen. “Tijdens de intifadah waren ze nog vrolijk, opgewekt. De mensen kregen weer hoop dat ze de bezetters nog eens konden verslaan. Na het autonomie-akkoord in '93 werden de grappen steeds venijniger. Autonomie op een klein stukje land, geen woord over hun eigen staat of de joodse nederzettingen - dat was niet waarvan mensen zo lang hadden gedroomd. Daarbij begonnen veel Palestijnen zich zorgen te maken over de leidersstijl van Arafat en zijn ministers.”

Kanaana vraagt op elk college of zijn studenten nog nieuwe grappen hebben gehoord. Zij fungeren als zijn 'veldwerkers'. Ze hebben altijd wel wat. Tot september dit jaar. Toen hielden de grappen op. Zelfs na het vervolg-autonomie-akkoord en de begrafenis van Rabin bleef het ongekend stil. Over de verkiezingen heeft Kanaana precies één grap gekregen. Een flauwe: “Aan welke eisen moet een kandidaat voor de presidentsverkiezingen voldoen? Hij moet PLO-leider zijn, boven de Libische woestijn zijn neergestort en een keffiyeh op zijn hoofd dragen.”

Deze grap geeft de extreme gelatenheid in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever goed weer. De eerste nationale verkiezingen komen eraan en een jonge Palestijn zegt over deze historische gebeurtenis waarvoor hij jarenlang heeft lopen stenen gooien: “Ik ga niet stemmen. Arafat doet toch wat hij wil. Ook zonder mijn stem.”

Weg zijn zijn pretoogjes van weleer, ten teken dat hij op het punt staat iets lolligs te zeggen. Voor veel Palestijnen is het leven niet zo lollig meer. Tijdens de bezetting hadden ze meer werk, meer bewegings- en persvrijheid dan nu. In die dagen hoefden ze minder smeergeld te betalen om iets bij de gemeente gedaan te krijgen en reden de leiders nog niet in dikke auto's met gewapende escorte rond. Sinds de autonomie is de maatschappij meer dan ooit verdeeld in haves en have-nots. Met de Palestijnse droom is ook elke sociale cohesie verdwenen. In de overgeromantiseerde Palestijnse natie is het nu ieder voor zich en God voor ons allen. De rijken bouwen villa's voor zichzelf en gooien het huisvuil over de muur op straat. Ministers rollen over elkaar om zoveel mogelijk donorgeld te bemachtigen. De armen bedelen aan de achterdeur om etensresten om er soep van te koken. Wat iedereen altijd luchtig wegwuifde, is gebeurd: Gaza en ook grote delen van de Westelijke Jordaanoever lijken steeds meer op een 'normale', Arabische samenleving met een machtige elite, een arme massa en een repressief systeem. Daar kunnen de Palestijnen Israel niet de schuld van geven, alleen zichzelf.

De laatste grappencyclus die Kanaana optekende, in de nazomer, was de “bitterste aller tijden”. Daarin boorden de Palestijnen traditioneel-Arabische en islamitische waarden en gebruiken de grond in - hun eigen cultuur, waar ze altijd zo trots op waren. Die cultuur moest het steeds afleggen tegen stompzinnige snufjes uit het Westen. Neem die over de moeder van een zelfmoordenaar, die de bloedvlekken uit het hemd van haar zoon probeert te wassen. Zij krijgt de vlekken er niet uit, en dus is haar zoon volgens de islamitische traditie een echte martelaar, een held. Een islamitische schriftgeleerde komt het resultaat inspecteren. In plaats van de moeder te feliciteren, haalt hij een Amerikaans wasmiddel uit zijn jurk: “Hardnekkige vlekken? Dan heeft u het merk Snow zeker niet geprobeerd.” De betekenis van dit soort humor is, volgens Kanaana: “Ons nationale erfgoed heeft ons van de regen in de drup geholpen, dus to hell with it.”