Marie Curie (1857-1934); Radio-actieve passie

SUSAN QUINN: Marie Curie. A life

509 blz., geïll., Simon & Schuster 1995, ƒ 63,-

Albert Einstein beweerde over zijn vakgenote en vriendin madame Curie dat ze “de ziel van een haring” had. Daarmee bedoelde hij dat ze arm was aan emoties en niet open stond voor grote vreugde of ingrijpend verdriet. De van oorsprong Poolse Marie Curie-Sklodowska (1867-1934) zou zich volledig hebben opgeofferd aan de wetenschap, met verwaarlozing van alle andere aspecten van het leven.

Dat beeld komt ook naar voren uit de talloze biografieën die in de loop der jaren aan Marie Curie zijn gewijd. Zelf heeft de heldin van generaties vrouwen aan deze legendevorming bijgedragen door brieven en andere documenten die iets van haar zieleroerselen konden onthullen te (laten) vernietigen.

Het dagboek dat Marie Curie na de plotselinge dood van haar echtgenoot Pierre Curie in 1906 heeft bijgehouden, is pas in 1990 door de familie vrijgegeven. Dit feit alleen al was voor de Amerikaanse Susan Quinn een reden om aan de indrukwekkende reeks boeken over Curie een nieuwe toe te voegen. In Marie Curie. A life ligt de nadruk op de niet-wetenschappelijke en de niet-publieke kant van de tweevoudige Nobelprijswinnares. Anders dan Françoise Giraud, die in haar biografie Een vrouw van eer (1981) Marie Curie een feministisch etiket opplakte, wilde Quinn juist weten in hoeverre zij behalve een sterke persoonlijkheid met uitzonderlijke talenten, ook een gewone vrouw was met problemen waar alle ambitieuze vrouwen mee worstelen.

Deze invalshoek levert niet alleen een treffend beeld op van de vernederingen die de briljante onderzoekster heeft moeten ondergaan, maar ook van haar reacties daarop. Haar leven lang, ook toen ze het mikpunt werd van grove persoonlijke aanvallen en lastercampagnes, heeft Marie Curie de wereld een koele façade laten zien, precies zoals Einstein beschreef. Achter die façade, toont Quinn aan, ging echter een gecompliceerde en gepassioneerde vrouw schuil.

De succes-story van het Poolse meisje uit een leraarsgezin te Warschau dat op drieëntwintigjarige leeftijd naar Parijs vertrok om aan de Sorbonne natuurkunde te studeren, is overbekend. Op haar zevenentwintigste ontmoette ze de acht jaar oudere fysicus Pierre Curie die, wegens een duistere liefdesgeschiedenis in zijn jeugd, gezworen had nooit te zullen trouwen, maar zwichtte voor Marie Sklodowska. Hun huwelijk was liefdevol en inspirerend. In Pierres laboratorium en gebruikmakend van door hem ontwikkelde instrumenten ontdekte Marie twee nieuwe chemische elementen, die ze polonium (naar haar geboorteland) en radium noemde. In 1903, ze was toen vijfendertig en moeder van een dochter (Irène), promoveerde ze cum laude en datzelfde jaar ontving ze samen met Pierre Curie en Henri Becquerel de Nobelprijs voor Natuurkunde. Acht jaar later kreeg ze bovendien de Nobelprijs voor Chemie.

Als biografe van een geleerde met zo'n staat van dienst, ontkomt Quinn niet aan een beoordeling van het werk van Marie Curie, maar op dit vlak heeft ze niets nieuws te melden. De belangrijkste verdienste van de uitweidingen over Curies ontdekkingen is dat ze ook voor de leek begrijpelijk zijn. Wat Quinns boek echter bijzonder maakt, is de beschrijving van Marie Curies persoonlijk leven: haar Poolse jeugd en adolescentie, haar band met Pierre en haar dochters (de tweede, Eve, werd geboren in 1904) en haar reactie op de plotselinge dood van haar echtgenoot.

In 1906 liep Pierre Curie, gekweld door ziekte als gevolg van het werken met radioactieve stoffen, enigszins versuft op een Seinebrug waar hij werd overreden door een paard en wagen. Hij overleed ter plekke. “Ik herhaal je naam steeds maar weer 'Pierre, Pierre, Pierre', maar helaas dat doet hem niet terugkeren, hij is voor altijd weg, mij achterlatend met niets dan verlatenheid en wanhoop,” schreef Marie kort na zijn dood.

De rouw om haar echtgenoot verhinderde niet dat de tweeënveertigjarige weduwe Curie in 1910 verliefd werd op de vijf jaar jongere fysicus Paul Langevin, een getrouwde man en vader van vier jonge kinderen. De relatie lekte uit door toedoen van Langevins echtgenote en veroorzaakte een ongekend schandaal. Het verslag van dit dieptepunt in het leven van Marie Curie maakt Quinns boek tot het hoogtepunt van alle Curie-literatuur tot nu toe. Door te putten uit nooit gepubliceerde brieven tussen Curies vrienden wordt de relatie, inclusief Maries niet altijd fraaie rol daarin, gedetailleerd uit de doeken gedaan.

Bovendien bevat de biografie een scherpe analyse van de wijze waarop het schandaal escaleerde door toedoen van de Franse pers. Het is nog steeds verbluffend hoe Curie het doelwit werd van onverbloemde vrouwenhaat, gekoppeld aan xenofobie, anti-intellectualisme en antisemitisme.

Nationalistische kranten zagen in de affaire een aanleiding om de aanval te openen op vreemdelingen in het algemeen en op de 'Duits-joodse professorenkliek aan de Sorbonne' in het bijzonder.

Samen met haar dochter Irène maakte Marie Curie zich gedurende de kort na het schandaal uitgebroken Eerste Wereldoorlog verdienstelijk door in zelf ontworpen auto's met mobiele röntgen-apparatuur aan het front hulp aan gewonden te bieden. In de ogen van de Fransen rehabiliteerde ze zich hiermee volledig en mede dankzij haar populariteit in de Verenigde Staten werd ze een gevierde internationale beroemdheid. Als gevolg van het jarenlange werken met radio-actieve stoffen stierf ze op zesenzestigjarige leeftijd aan leukemie, hetgeen tot haar heldendom bijdroeg.

De geschiedenis met Langevin raakte gaandeweg in het vergeetboek, waar zij nu, dank zij Quinns fascinerende reconstructie, weer uit tevoorschijn is getoverd.