Malcolm Muggeridge (1903-1990); Tussen spotlust en mystiek

RICHARD INGRAMS: Muggeridge. The Biograpy

266 blz., Harper Collins 1995, ƒ 56,70

GREGORY WOOLFE: Malcolm Muggeridge. A Biography

462 blz., Hodder & Stoughton 1995, ƒ 73,50

Vijf jaar na zijn dood zijn er twee biografieën tegelijk verschenen over Malcolm Muggeridge. In Engeland herinnert iedereen van boven de dertig zich zijn gezicht van de televisie. Zo niet in Nederland, waar in de tijd van zijn meest frequente optreden, de jaren zestig en zeventig, nog geen BBC op de kabel zat. Er zijn wellicht mensen die iets van hem gelezen hebben: romans, reportages, mémoires, christelijke belijdenissen, maar zij kennen hem niet zoals degenen die hem aan het praten gezien hebben. Bij het interviewen van aanzienlijke tijdgenoten openbaarde hij meer van zichzelf dan enige andere tv-journalist die ik mij kan herinneren, tot lering, ergernis en vermaak van de kijker.

Muggeridge was de soort publicist die door iedereen opgemerkt wordt terwijl velen denken dat hij eigenlijk geen serieuze belangstelling verdient. De ergernis die hij wekte, begon doordat hij in plaats van een eigentijdse sobere democratentoon een uitbundige manier van praten had, met veel lichaamsbeweging en lachen (vaak met het hoofd in de nek) en een aangeleerd voornaam accent. Daar kwam bij dat hij niet de gematigde progressieve opvattingen vertolkte die van de BBC verwacht werden. Hij had al in 1933, toen hij vier maanden lang het correspondentschap van de Daily Telegraph in Moskou waarnam, vastgesteld dat de Russische regering een beklemmend en jammerlijk beleid voerde, en in de volgende vijftig jaar weigerde hij in te zien dat het zo niet gesteld hoorde te worden. Toen eindelijk iedereen zijn gelijk moest erkennen, was het te laat voor hem om ervan te genieten. Hij was niet eens helder genoeg meer om het op te merken. In 1990 is hij gestorven, zevenentachtig jaar oud.

Al was er bij het eind van zijn leven minder dan vroeger in te brengen tegen zijn politieke opvattingen, Muggeridge werd toen nog harder aangevallen en uitgelachen vanwege zijn christelijke gelovigheid. Achter zijn satirische visie op ideologieën bleek geen spotlust maar een mystieke natuur te zitten met een behoefte aan eeuwige waarheid. Hij was zich daar sinds zijn studietijd van bewust, maar tot zijn zestigste liet hij er in het openbaar weinig van merken. Pas vanaf 1968, toen hij Moeder Theresa interviewde, werd de christelijke levenswijze zijn voornaamste onderwerp.

Saint-Mugg werd hij genoemd, soms vriendelijk maar vaak laatdunkend door mensen die hem geaccepteerd hadden als een profeet zonder geloof. Jarenlang verzette hij zich nog tegen het idee van behoren tot een christelijke gemeenschap, onverenigbaar met zijn individualistische geesteshouding. In 1982 werd hij evenwel opgenomen in de rooms-katholieke Kerk, in een dienst die omlijst werd door foto-en televisiecamera's. Graham Greene schreef hem een briefje: “Ik weet niet of ik je moet gelukwensen of beklagen, maar ik wens je het beste en hoop that you will make a better Catholic than I have done.”

Intolerantie

Was de rooms-katholieke Muggeridge de ware die zichzelf eindelijk ontdekt en aanvaard had? Zo voelde hij het, maar zo werd zijn bekering in de publiciteit zelden behandeld. Er is vaak een intolerantie merkbaar geweest in de Engelse bejegening van Muggeridge - niet dat iemand hem wilde beletten zijn eigen leven te leiden, maar hij werd voor ongenuanceerd en zelfingenomen uitgemaakt. Het blijft ook nu onmogelijk om een algemeen aanvaarde opinie te bepalen over zijn betekenis. In sommige opzichten was hij zijn tijd vooruit: niet alleen inzake Stalin, ook bijvoorbeeld inzake het Engelse koningschap, waarover hij in 1957 in de Saturday Evening Post schreef dat het begon te verkalken. Explosies van verontwaardiging volgden. Een royalistische extremist drukte in een brief zijn voldoening uit dat een zoon van Muggeridge onlangs was omgekomen bij een ski-ongeluk; zo zou de BBC het niet zeggen, maar de eerstvolgende drie jaar wilde zij Muggeridge niet meer in programma's hebben.

Al moet hem nagegeven worden dat hij soms scherp zag en zich onbevreesd uitsprak, het totaal van zijn leven en werk, met zoveel vlotte satirische veroordeling van wat de geest des tijds genoemd kon worden, mist in veler ogen het gewicht dat voor een erflater van de Engelse beschaving nodig zou zijn. Dat zijn gelovigheid zijn allure niet bepaald verzwaard heeft, komt, behalve doordat het christendom toch al geen bloeitijd doormaakt, ook door het grote vertoon dat zijn bekering begeleidde: tv-programma's, boeken, wereldreizen. Hij zou er meer indruk mee gemaakt hebben als hij zijn persoonlijke bekering zoveel mogelijk intiem had gehouden.

Onweerlegbaar

Zo ziet hij er van Engelse kant uit; niet van de Amerikaanse, en het verschil wordt duidelijk getoond en verklaard door zijn twee biografieën. Richard Ingrams is zelf een satirische Engelse journalist, bekend als hoofdredacteur van het blad Private Eye en als columnist van de Observer. Hij is jarenlang bevriend geweest met Muggeridge en heeft veel met hem gelachen om de streken en pretenties van prominente personages. De gelovigheid van de latere jaren accepteerde hij en hij weet heel goed dat de bekering een innerlijke noodzaak had; maar hij heeft er weinig boodschap aan en geeft geen teken van meeleven. “Unfortunately ... he had become in old age the sort of person that in his youth he would have mercilessly mocked”, heet het onverbloemd.

Heel anders ziet Gregory Wolfe het. Hij is een Amerikaan die een blad Image uitgeeft, “a journal of the arts and religion”, en voor hem is de bekering de kroon op Muggeridge carrière. Zo zullen Amerikaanse lezers misschien ook verwachten het onderwerp behandeld te vinden, want zij hadden nooit van deze Engelse journalist gehoord voordat zijn religieuze programma's in Amerika overgenomen werden. In hun ogen was hij een dolende in de woestijn, maar na lang innerlijk worstelen vond hij de waarheid: een stichtelijke geschiedenis.

Ook een lezer zoals ik die meer op heeft met de visie van Ingrams moet toegeven dat die van Wolfe uit een bepaalde hoek gezien onweerlegbaar is, en dat Muggeridge zelf zo zou willen kijken. Het is jammer dat Wolfes verhaal in de laatste drie decennia steeds minder onderhoudend wordt. Hij heeft belangstelling genoeg voor Muggeridges wereldlijke rol maar hij heeft weinig van Ingrams' gevoel voor humor, en tegen het eind van zijn boek begint hij niet bepaald te preken, maar wel de boodschap uit te dragen.

Ingrams heeft met zijn beperkte aandacht voor de bekering van Muggeridge meer oog dan Wolfe voor de zonden die eraan voorafgingen: talrijke avonturen met vrouwen in verschillende werelddelen. De langste, af en toe onderbroken maar meest intense van zijn buitenechtelijke relaties was die met Lady Pamela Berry, echtgenote van de hoofdredacteur en latere eigenaar van de Dailey Telegraph. Zijn vrouw Kitty wist ervan en merkte meestal ook iets van zijn andere escapades. Zij stelde zichzelf ten dele schadeloos met eigen affaires, maar het huwelijk stond verscheidene malen op springen.

Een van Muggeridges dubbelzinnigheden was dat hij in zijn christelijke jaren over seks praatte alsof het boerenbedrog is en alleen op teleurstellingen uit kan lopen. Zelfs mensen die niets van zijn verleden wisten, vonden dat een malle afwijking van hem, en behalve onaardig voor zijn vrouw ook onbegrijpelijk omdat zij zelf op vergevorderde leeftijd een heel aantrekkelijk mens was. Zowat de mooiste oude mevrouw die ik ooit gezien heb, dacht ik na een bezoek aan het echtpaar in hun huis in Sussex, omstreeks 1970. Ik wist niets van hun privé-leven; wel viel op dat zij toen heel lief tegen elkaar deden, en die indruk wordt bevestigd door de biografieën. Zij hadden zich verzoend, en leefden hun laatste twintig jaar hand in hand.

Er zijn mensen die nog steeds kribbig worden als zij over Muggeridge horen. De samenstellende delen van zijn persoonlijkheid kloppen niet met elkaar, en hij deed te weinig om ze in overeenstemming te brengen.

Met zijn combinatie van gemotiveerde en uit de lucht gegrepen opinies, en zijn ongeremde manier van zich uitspreken, leek hij soms een parodie van een opinievormer uit te voeren, wat andere opinievormers niet altijd gepast vonden.

Zijn innerlijke tegenstellingen waren moeilijker te beheren dan bij de meesten van ons: maar wie geen behoefte voelt om hem te corrigeren, herkent zichzelf in hem.

    • J.J. Peereboom